022. Bijbelstudie over het

SPREKEN IN TONGEN - GLŌSSAIS LALEIN

glwssaiV  lalein

 

Deel 4: 1 Korinthiërs 13:1-2, 8-10 en 14:1-40

 

 

In deze vierde en tevens laatste aflevering van deze studiereeks over de talengave zullen wij de hoofdstukken 13 en 14 van de eerste brief aan de Korinthiërs nader onder de loep nemen omdat Sha’ul [Paulus] juist daarin, maar voor in hoofdstuk 14, zelf ook de meeste aandacht aan dit onderwerp besteed heeft:

 

1 Korinthiërs 13:1-2 en 8-10

 

1 Al ware het, dat ik met de tongen [talen] der mensen en der engelen sprak, maar had de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal. 2 Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de liefde niet, ik ware niets.

 

De algemene Charismatische uitleg is hier, dat de zogenaamde “tongentaal” een hemelse gebedstaal zou zijn, die door engelen gesproken zou worden. Maar men leest daarin meer dan dat er daadwerkelijk staat, want Sha’ul [Paulus] beweert hier helemaal niet dat de engelen een eigen, aan ons onbekende hemelse taal zouden spreken. Maar wat zegt deze passage dan wel? Sha’ul bedoelt ermee, dat wanneer hij in staat zou zijn om met alle talen te spreken, die zowel door de mensen alsook door de engelen worden gesproken, dus zowel op aarde alsook in de hemel, kortom het ganse heelal, maar de liefde niet had, dan maakte hij slechts een hoop kabaal! Deze passage toont dus slechts aan dat de liefde veel belangrijker is dan het spreken in allerlei vreemde talen, meer niet! Maar wat bedoelt Sha’ul met de "talen van de engelen"? De bijbelse basis voor een engelentaal is niet zo breed, maar desalniettemin zijn er velen door de eeuwen heen ervan overtuigt dat de taal der engelen niets anders dan het Hebreeuws is, want in het roepingvisioen van Yeshayahu [Jesaja] wordt gesproken over de Serafijnen die elkaar (in het Hebreeuws!) het drievoudig >vdq qadosh [heilig] toeroepen (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 6:3). Ook in de Openbaring van Yochanan [Johannes] wordt gesproken over deze en andere Hebreeuwse woorden waarmee de engelen en de oudsten de Eeuwige prijzen (]vyzx Chizayon [Openbaring] 4:8-5:14). Bovendien hebben de engelen Hebreeuwse namen. Het is dus zeer onwaarschijnlijk dat de taal van de engelen iets anders zou zijn dan het Hebreeuws. Vanuit het Joodse denken representeren de talen der mensen en der engelen in 1 Kor 13:1 dus respectievelijk de talen der zeventig volken die ontstaan zijn door de Babylonische spraakverwarring in ty>arb B’reshit [Genesis] 11:1-9 en de Lashon haQodesh [Heilige Taal], het Hebreeuws, de hemelse taal die ooit de taal van alle mensen was (Gen 11:1). De Eeuwige heeft Zijn eigen taal, het Hebreeuws, als communicatiemiddel aan de mensheid gegeven via de heilige linie en die ook na de Babylonische spraakverwarring bewaard is gebleven als zijnde de taal van Ever [Heber] en diens nakomelingen, de Iv’rim [Hebreeën], waartoe o.a. zowel Avraham [Abraham], Yitzchaq [Izaäk] en Ya’aqov [Jakob] behoren alsook Moshe [Mozes], David en Yeshua. Het is daarom ook geen toeval dat de Eeuwige in Zijn persoonlijke contacten met mensen uitsluitend in de Hebreeuwse taal sprak (b.v. Hnd 26:14). Ik zal over dit onderwerp later in een aparte bijbelstudie nog heel uitgebreid op ingaan. Het woord tyrbi Iv’rit [Hebreeuws] is afgeleid van het woord rbi Ever dat “overkant" betekent. Het Hebreeuws is dus een taal, die van de overkant komt, van gene zijde, van Adonai! Het is een G’ddelijke taal en wanneer wij het Woord van G’d, de Bijbel, goed willen begrijpen dan kan dit slechts met behulp van de taal van gene zijde, het Hebreeuws! Het blijkt keer op keer weer, dat enige kennis van het Hebreeuws onontbeerlijk is om de diepere of geestelijke betekenis van bepaalde bijbelteksten goed te kunnen snappen, want uiteindelijk was dit de taal die Adonai reeds bij de schepping aan de mens gegeven heeft. Hebreeuws is de taal die Adam en ook Noach spraken en aan Moshe [Mozes] openbaarde de Eeuwige Zijn Hebreeuwse naam: hyha r>a hyha Eh'ye asher Eh'ye ofwel “Ik ben die Ik ben”! De Eeuwige sprak tot onze vaderen vanuit de hemel en Hij gaf aan de mensheid Zijn Tora [wet] in de Hebreeuwse taal, zowel in gesproken alsook in geschreven vorm: “En Hij gaf aan Moshe, toe Hij geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinai, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven door de vinger G’ds - De tafelen waren het werk G’ds en het schrift was het schrift G’ds, op de tafelen gegrift!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 31:18 en 32:16). Leidse Vertaling: “De tafelen waren G’ds eigen werk, en het schrift was G’ds schrift, gegrift in de tafelen.” - De Hebreeuwse taal en de Joodse religie lopen dooréén en worden door de orthodoxe Jood beleefd als een onverbrekelijke eenheid en wordt daarom >dqh ]v>l Lashon haQodesh [Heilige Taal] genoemd. Het Hebreeuws betekent voor ons meer dan alleen een communicatiemiddel. In de Joodse codex, de Shul’chan Aruch, wordt deze taal als zodanig wezenlijke Q’dusha [heiligheid] toegekend, omdat het Hebreeuws het medium van informatieoverdracht tussen G'd en mens is geworden en volgens de Midrash deze functie al direct na de hayrb Beri'a [Schepping] vervulde. Adonai schiep alles door Zijn Woord en Hij sprak daarbij Hebreeuws! Vervolgens gaf Hij Adam deze taal als communicatiemiddel en ik zou geen enkele reden kunnen bedenken waarom de Schepper van de hemel en de aarde aan Zijn schepselen in de hemel, de engelen, een andere taal zou hebben gegeven dan aan Zijn schepselen op aarde, de mensen. Wij komen in de Tora immers talrijke teksten tegen, waarin de engelen als boodschappers van de Allerhoogste geen enkel probleem hadden om met de mensen te communiceren. Om terug te gaan naar ons onderwerp: We kunnen uit 1 Kor 13:1 echt niet afleiden dat de engelen een eigen taal zouden spreken die op aarde nergens gesproken zou worden. Verder kunnen wij uit dit vers evenmin afleiden dat Sha’ul alle menselijke talen gesproken zou hebben! Hij begint dit hoofdstuk namelijk met de woorden: “Al ware het…”, ofwel: “Al zou het zo zijn…”, dus dat betekent dat het niet zo is. Sha’ul neemt hier dus ondubbelzinnig een hypothetisch geval aan, waarmee hij de Korinthiërs wil uitleggen wat gebrek aan liefde betekent. Maar als Sha’ul in vers 2 niet alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en ook niet al het geloof had, zodat hij bergen kon verzetten, dan is ook het zinnetje in vers 1 een dergelijke hypothese. Daarom kan uit zijn woorden in geen geval afgeleid worden dat het "spreken in tongen" hetzelfde zou betekenen als "talen van engelen".

 

8 De liefde vergaat nimmermeer; maar profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen [talen], zij zullen verstommen; kennis, zij zal afgedaan hebben. 9 Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren. 10 Doch, als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben.

 

In dit tekstgedeelte kondigde Sha’ul [Paulus] aan dat de talen eens zullen verstommen. In tegenstelling tot geloof, hoop en liefde die blijvend zijn, zal het “spreken in talen” ophouden. Hij benadrukte dit omdat de Korinthiërs moesten leren beseffen dat juist de gave die zij zo spectaculair vonden, zowel van beperkte als van tijdelijke betekenis was. De G’ddelijke liefde echter blijft eeuwig, want zij is G’ds wezen. Maar er komt een ogenblik, waarin er geen profetie en geen kennis, waarnaar men zoekt, meer nodig is; namelijk dan, wanneer het volkomene, het volmaakte, zal zijn gekomen. Met de komst van het volmaakte wordt volgens velen de wederkomst van Yeshua bedoeld en dat lijkt mij niet meer dan logisch, maar anderen zien daarin de voltooiing van de Bijbel, het volmaakte Woord van G’d. In de eerste tijd na het ontstaan van de messiasbelijdende gemeente was B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] nog niet af en algemeen verspreid. Adonai ving dit onder meer op door middel van directe boodschappen via profetie en vertaalde glossolalie, maar toen B’rit haChadasha af was en algemeen verspreid en aanvaard, was deze bediening in principe niet meer nodig, want de Bijbel was nu compleet. De tekengaven werden door Adonai voornamelijk gebruikt in Zijn handelen met Zijn volk Israël! Wij hebben in de voorgaande drie afleveringen van deze bijbelstudie kunnen constateren dat iedere keer wanneer er sprake was van tekenen waaronder het spreken in talen, de Eeuwige daarmee ‘ongelovige’ Joden van bepaalde heilsfeiten wilde overtuigen. We hebben gezien dat de apostolische tekengaven grotendeels waren verdwenen toen B’rit haChadasha en met name toen het boek Handelingen gereed was gekomen. Aan het begin van de messiasbelijdende gemeente kwamen deze tekenen dus nog wel degelijk voor, maar zij geschiedden met name door de hand van de Sh’lichim [apostelen], als teken voor ongelovige Joden en niet op grote schaal bij iedereen die vervuld was met G’ds Geest. De laatst genoemde wonderen in B’rit haChadasha, de genezingen op het eiland Malta (Hnd 28:7-10), gebeurden rond het jaar 62 na de gewone tijdrekening. Vanaf 62 tot 96, toen Yochanan [Johannes] het boek ]vyzx Chizayon [Openbaring] afsloot, werd er geen melding meer gemaakt van wonderen. Alleen in de 1e brief aan de Korinthiërs worden gaven van krachten, tekenen zoals glossolalie en genezingen nog genoemd. In twee latere brieven, namelijk die aan de Efeziërs en de Romeinen, worden de gaven van Ruach haQodesh [de Heilige Geest] door Sha’ul weliswaar uitvoerig behandeld, maar er wordt met geen woord gesproken over de gaven van krachten, tekenen en wonderen omdat zij namelijk reeds in die tijd werden gezien als iets dat tot het verleden behoorde. In ,yrbi Ivrim [Hebreeën] 2:4 werd ten aanzien van de messiaanse zending terugblikkend door de schrijver gezegd: “…terwijl G’d meegetuigde door tekenen en wonderen, velerlei krachtsopenbaringen en bedelingen des Heiligen Geestes naar Zijn wil!” (Leidse Vertaling). – “…en G’d heeft medegetuigenis gegeven door tekenen en wonderen en menigerlei krachten, en met uitdelingen des Heiligen Geestes naar Zijnen wil.” (Luther-vertaling). “…en G’d bevestigde hun woorden nog door tekenen, wonderen en allerlei machtige daden, en deelde de Heilige Geest uit zoals Hij dat wilde!” (Groot Nieuws Vertaling). In tegenstelling tot de NBG spreken al deze vertalingen overeenkomstig de Griekse grondtekst in de verleden tijd. In 2 Kor 12:12 daarentegen houdt ook de NBG zich keurig aan de verleden tijd: “De tekenen van een apostel zijn bij u verricht met alle volharding, door tekenen, wonderen en krachten”. - Zijn verricht en niet: worden verricht. Ook in de Statenvertaling lezen wij: “De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met tekenen, en wonderen, en krachten”. - Zijn betoond en niet: worden betoond. De Luther-vertaling zegt hetzelfde: “Want de merktekenen eens apostels zijn immers onder u betoond in alle geduld, met tekenen en wonderen en krachten.”  - Ook weer: Zijn betoond! De Leidsche vertaling is zelfs nog duidelijker: “Alles toch waaraan een apostel herkend wordt is onder u met groot geduld volbracht, met wonderen, tekenen en krachten.” - Is volbracht en niet: wordt nog steeds gedaan. De Groot Nieuws Vertaling spreekt eveneens nadrukkelijk in de verleden tijd: “Wat kenmerkend is voor een apostel, was aanwezig: de volharding waarmee ik alles verduurde, de wonderen en machtige daden die onder u werden verricht.” - Was aanwezig en niet: zijn aanwezig! Werden verricht en niet: worden verricht! Kan het nog duidelijker? De originele Griekse tekst luidt als volgt:

 

ta men shmeia tou apostolou kateirgasqh en umin en pash upomonh en shmeioiV kai

terasin kai dunamesin

“Ta men sēmeia tou apostolou kat-eirgastē en humin en pasēi hupomonēi en sēmeios kai terasin kai dunamesin.”

 

Het Griekse kateirgasqh kat-eirgastē betekent letterlijk “zijn bewerkt” en dat geeft dus een voltooide vorm aan. Als de schrijver van deze tekst in het begin van het zestigste jaar van de eerste eeuw reeds terugblikkend over tekenen, wonderen, velerlei krachtsopenbaringen en gaven van de Heilige Geest spreekt, dan laat dit mijns inziens de conclusie toe, dat deze buitengewone dingen, waartoe immers ook het spreken in talen behoorde, ook toen al grotendeels tot het verleden behoorden en daarom moeten wij alle huidige wonderen en tekenen bijzonder waakzaam bejegenen. Ik zeg niet dat de Eeuwige heden ten dage geen wonderen en tekenen meer doet, want ik geloof dat dit incidenteel in specifieke situaties nog steeds gebeurt, maar wij dienen alles te toetsen aan het Woord. Het gezag en de boodschap van de Sh’lichim [apostelen] en G’ds Woord hadden geen verdere bevestiging meer nodig, want voor het einde van de eerste eeuw was B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] geschreven en dit werd in alle gemeenten gelezen. De openbarende gaven waren echter grotendeels verdwenen, want ze dienden in principe geen enkel doel meer. Adonai heeft de wonderen en tekenen gebruikt om Zijn Woord te bekrachtigen en Zijn gezondenen te legitimeren. Nu wij dat volledige Woord hebben, zijn deze wonderen, tekenen en krachten eigenlijk niet meer nodig behalve op het zendingsveld! Alles wat een gelovige moet weten over G’ds leefregels (de Tora) alsook over de weg tot behoudenis (het offer van Yeshua) staat in de Bijbel. Dit boek, dat inmiddels vertaald is in praktisch alle op dit moment bekende talen in de wereld, bevat alle informatie over hoe wij moeten leven in overeenstemming met de wil van onze Vader die in de hemelen is (Mt 7:21). Uiteraard hebben we nog wel de leiding van Ruach haQodesh [de Heilige Geest] nodig, die ons wijsheid en inzicht geeft om G’ds Woord in de volle omvang te kunnen begrijpen, maar er zijn geen nieuwe openbaringen meer nodig, want alle informatie over de volle waarheid is nu beschikbaar in de complete Bijbel, bestaande uit TeNaCH (Oude Testament) en B’rit haChadasha [Nieuwe Testament]. De door charismatische christenen veelgeciteerde belofte uit Jes 42:9 en 48:6 dat G’d nieuwe dingen zal doen slaat op de komst en het verlossingswerk van de Mashiach, maar zeker niet op dierlijk gedrag en occulte manifestaties zoals het achterover vallen van honderden tegelijk door het blazen in de microfoon.

 

1 Korinthiërs 14:1-40

 

In 1 Korinthiërs 14 gaat Sha’ul [Paulus] dan in bijzonderheden op het spreken in talen in. Uit dit hoofdstuk krijgen we de indruk, dat de Korinthiërs over de genadegaven die de Eeuwige hun had gegeven, heel erg opgetogen waren. Bijzonder sterk trad dit bij het spreken in talen naar voren. Sha’ul moest hen daarom dan ook ernstig terechtwijzen. Dit hoofdstuk is dus beslist geen aanbeveling van het zogenaamde "spreken in tongen" zoals dat tegenwoordig in charismatische kringen in praktijk wordt gebracht, maar een ernstige vermaning om de genadegaven die de Eeuwige aan Zijn gemeente gegeven heeft, op de juiste manier te gebruiken!

 

1 Jaagt de liefde na en streeft naar de gaven des Geestes, doch vooral naar het profeteren. 2 Want wie in een tong [vreemde taal] spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot G’d, want niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij geheimenissen. 3 Maar wie profeteert, spreekt voor de mensen stichtend, vermanend en bemoedigend. 4 Wie in een tong [vreemde taal] spreekt, sticht zichzelf, maar wie profeteert, sticht de gemeente.

 

Hoewel Sha’ul in vers 22 van dit hoofdstuk duidelijk heeft geschreven, dat de talengave tot een teken voor de ongelovigen werd gegeven en niet bedoeld was voor de gelovigen in de samenkomst, hebben velen zich helaas toch vastgebeten in de verzen 2-4 en menen op grond van onzorgvuldig lezen, dat de glossolalie bedoeld zou zijn als een soort rode telefoon om rechtstreeks tot G’d te kunnen bidden, geheimenissen met Hem te delen en ook om zichzelf te stichten. Maar wordt in deze teksten gezegd, dat dit het doel van de talengave is? Ik dacht het niet! Dat zou elkaar op meerdere punten tegenspreken. Ten eerste: Het doel is dat het een teken moest zijn voor ongelovigen. Daar laat Sha’ul geen twijfel over bestaan. Kan dan tegelijkertijd ook het doel zijn zichzelf te stichten? Volgens mij niet! Ten tweede wil ik u vragen: waartoe heeft Adonai eigenlijk alle gaven gegeven? Kijk maar naar het beeld van het lichaam dat we de vorige keer hebben behandeld: Waartoe kan de voet lopen? Is dat ten behoeve van die voet zelf of ten behoeve van het hele lichaam? Natuurlijk het laatste! Waartoe kan mijn oog zien? Is dat tot nut van het oog zelf of tot nut van het hele lichaam? Uiteraard het laatste. Ziet u, hetzelfde geldt dus voor alle leden van een lichaam en zo is het ook met het lichaam van Yeshua, de gemeente. Adonai geeft iemand een gave tot nut en welzijn van de hele gemeente, maar niet tot nut van zichzelf. Dat zou eigenbelang en zelfs ook hoogmoed in de hand werken, want een gave om zichzelf te stichten is in strijd met het Bijbelse principe en kan dus helemaal niet! Dit principe legt Sha’ul duidelijk uit in zijn brief aan de gelovigen te Philippi: “Indien er dan enig beroep op u gedaan mag worden in de Mashiach, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is, maakt dan mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, een in liefdebetoon, een van ziel, een in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen” (Filippenzen 2:1-4). Ten derde: Zou men door middel van glossolalie beter tot de Eeuwige kunnen bidden of Hem door onverstaanbare klanken beter kunnen prijzen dan in de eigen vertrouwde taal? Dat lijkt mij niet echt logisch en is derhalve ondenkbaar. Kortom, Adonai geeft beslist geen gave om krachtiger te kunnen bidden of om Hem beter te kunnen prijzen. Hij geeft je gaven tot opbouw en nut van de gemeente en niet om jezelf op te stichten. Daarom vindt Sha’ul dit belangrijk genoeg om er drie hoofdstukken aan te besteden om de Korinthiërs te laten beseffen dat ieder gemeentelid zijn of haar gave dient te gebruiken voor de zending en om de gemeente op te bouwen. Maar omdat er toen ook al velen waren die zichzelf zo heerlijk opbouwden door te pronken met de hun toebedeelde geestesgaven en daar zo van genoten, schreef hij: “Als je in de samenkomst in talen spreekt die niemand verstaat, dan vertel je alleen maar geheimenissen die slechts G’d kan verstaan, maar daar hebben je broeders en zusters in de gemeente er helemaal niets aan!” Daarom is hij ook zo kritisch over het uitoefenen van de glossolalie binnen de gemeente tijdens de samenkomst. Want wie daar in een vreemde taal spreekt, sticht alleen zichzelf, maar een ander heeft er niets aan en dat is toch wel het toppunt van egoïsme in de ogen van Sha’ul. Daarom begon hij dit hoofdstuk ook met de woorden: “Jaagt de liefde na!” - We zullen vers 2 nu in drieën splitsen, de aparte gedeeltes één voor één lezen en nauwkeurig bestuderen:

 

2a Want wie in een tong [vreemde taal] spreekt,

spreekt niet tot mensen, maar tot G’d

 

Zoals ik reeds meerdere keren heb aangehaald, heeft de bijbelse glossolalie twee doelen: enerzijds is het een teken voor de ongelovige Joden, dat degenen die deze gave bezitten door Adonai zelf gezonden zijn, en anderzijds is deze gave een prachtig hulpmiddel voor het uitvoeren van de zendingsopdracht onder volken wiens taal men niet beheerst. Om deze reden is het antwoord op de vraag tot wie men in nieuwe talen spreekt afhankelijk van het doel. Op het zendingsveld onder heidense volkeren lijkt het wel duidelijk dat men gebruik maakt van deze gave om aan hen het evangelie te verkondigen, maar bij het gebruik als teken voor de ongelovige Joden spreekt men op de eerste plaats tot Adonai, want in Handelingen 2:11 zeiden de Joodse pelgrims, die uit de hele wereld naar Jeruzalem waren gekomen: “Wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden G’ds spreken! Hier gebruikten de Sh’lichim [apostelen] de talengave duidelijk voor de lofprijs, want zij loofden de Eeuwige en maakten Hem groot! Zo kunnen wij dan ook 1 Korinthiërs 14:2 zien, namelijk als lofprijs: “Want wie in een (vreemde) taal spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot G’d, want niemand verstaat het!” Het zou best nog wel eens kunnen dat Adonai in Korinthe juist het Hebreeuws als talengave gebruikte als teken voor de Griekstalige Joden, die het weliswaar niet verstonden, maar wel degelijk als de heilige taal herkenden. Het moet dan ook ronduit schokkend geweest zijn voor deze orthodoxe Joden om onbesneden heidenen in de heilige taal te horen spreken die zij zelf niet eens beheersten en hen daardoor tot naijver opwekten (Rom 11:11).

 

2b want niemand verstaat het

 

Als Sha’ul schrijft: “wie in een vreemde taal spreekt, spreekt tot G’d, want niemand verstaat het”, dan zegt hij daarmee niet, dat de talengave bedoeld zou zijn om daarmee rechtstreeks G’d te spreken en niet tot mensen. Zo wordt het helaas maar al te vaak opgevat en er een hele theologie erom heen ontwikkeld, maar deze passage wil daarmee slechts zeggen, dat het magere resultaat daarvan is, dat slechts de Eeuwige het kan verstaan en dat vind Sha’ul bijzonder jammer! En vanwege de woorden “niemand verstaat het” denken velen bij het zogenaamde “spreken in tongen” aan onverstaanbare klanken die worden uitgesproken in een extatische toestand, die zij “dronken in de Geest” noemen. Men realiseert zich daarbij meestal niet dat dit echter geen beschrijving is van de oorspronkelijke bedoeling maar juist van het misbruik onder de Korinthiërs! Sha’ul legde daarom in dit hoofdstuk uit dat de gave van het spreken in vreemde talen in de samenkomst slechts nut heeft in een context waarin deze uitspraken ook daadwerkelijk begrepen werden door middel van vertaling en uitleg.

 

2c door de Geest spreekt hij geheimenissen

 

Let op: aan de woorden "door de Geest spreekt hij geheimenissen" gaat, zoals wij hierboven zagen, vooraf: "want niemand verstaat het". Er werden in de vreemde talen echt geen geheime boodschappen of verborgenheden verkondigd, maar het is nogal logisch, dat we altijd wel geheimzinnig overkomen, als wij onverstaanbaar praten, ook al zouden we de meest simpele dingen vertellen. Bovendien, welk nut zou het spreken van geheimenissen hebben voor de de Eeuwige die alwetend is en voor wie geen geheimen bestaan? Daarom heeft Sha’ul de verzen 2 t/m 4 beslist niet geschreven om de gelovigen in Korinthe aan te moedigen om daar vooral mee door te gaan, maar veeleer om hen te doen beseffen, dat het ongelimiteerde spreken in talen de gemeente niet stichtte en dat zij in plaats daarvan beter konden streven naar het spreken van profetie.

 

3 Maar wie profeteert, spreekt voor de mensen stichtend, vermanend en bemoedigend.

 

Het profeteren genoot duidelijk de voorkeur van Sha’ul, want de door Ruach haQodesh [de Heilige Geest] geïnspireerde woorden schonken de broeders en zusters bemoediging, troost en ook advies en zelfs waarschuwingen of vermaningen in persoonlijke situaties die buiten Adonai om geen mens wist. Ook ongelovige bezoekers konden hierdoor aangeraakt worden omdat juist het feit dat niemand anders het kon weten een bewijs was voor G’ds aanwezigheid! Door deze gave kunnen we elkaar als gelovigen goed opbouwen, want zij is in tegenstelling tot de glossolalie verstaanbaar, maar wat niet begrepen kan worden, kan ook niet stichten. Er kan geen enkel voordeel getrokken worden van de meest leerzame en belangrijke mededeling of toespraak als deze in een onverstaanbare taal gehouden wordt. Maar wie profeteert, spreekt daarentegen ten nutte van zijn toehoorders en daarom bouwt deze gave de gemeente op.  

 

4 Wie in een tong [vreemde taal] spreekt, sticht zichzelf,

maar wie profeteert, sticht de gemeente.

 

De gangbare charismatische uitleg van deze tekst houdt in dat de zogenaamde tongentaal een privé-gebedstaal zou zijn, die de gelovige sterkt en sticht. Het is echter van het grootste belang om er bij stil te staan dat dit hele hoofdstuk niet geschreven is om een definitie te geven wat het spreken in vreemde talen wel of niet is, maar juist om de Korinthiërs terecht te wijzen voor hun misbruik van deze gave. Zij gebruikten de talengave namelijk niet op het zendingsveld waarvoor het bedoeld is, maar in de samenkomst om zichzelf daarmee in het centrum te stellen en de medegelovigen te laten zien hoe geestelijk ze wel waren. Sha’ul bestrafte hen en vertelde hen dat dit niet tot opbouw is voor anderen binnen de gemeente. De zinsnede: “Wie in een vreemde taal spreekt, sticht zichzelf” gaf derhalve de egoïstische houding aan van het verkeerd gebruik van de talengave in de gemeente en was beslist geen bewijs dat dit juist de bedoeling geweest zou zijn. Helaas heeft men dat blijkbaar nooit goed begrepen, want ook nu, bijna 2000 jaar later, gaat men daar nog steeds mee door…

 

5 Ik wilde wel, dat gij allen in tongen [vreemde talen] spraakt, maar liever nog, dat gij profeteerdet. Wie profeteert, is meer dan wie in tongen [vreemde talen] spreekt, tenzij hij het ook uitlegt, zodat de gemeente stichting ontvangt.

 

Met het zinnetje: “Ik wilde wel dat gij allen in vreemde talen spraakt” gaf Sha’ul aan dat hij het liefst zou willen zien dat iedereen het zendingspad op zou gaan en op de eerste plaats de ongelovige Joden zou bereiken met de B’sora Tova [de Blijde Boodschap], maar binnen de gemeente in de kring van de gelovigen is het profeteren of het uitleggen van het in talen gesprokene meer op zijn plaats omdat iedereen het kan begrijpen en erdoor gesticht wordt.

 

6 En nu, broeders, als ik tot u kom en spreek in tongen [vreemde talen], wat nut zal ik u brengen, als ik mij niet tot u richt, of met een openbaring, of met kennis, of met profetie, of met onderricht?

 

Sha’ul gaf hier een voorbeeld van zichzelf om het te verduidelijken wat hij bedoelde. Hij wilde de Korinthiërs laten inzien dat zijn bezoek aan hun gemeente weinig nut zou hebben als hij de talengave zou toepassen op dezelfde manier zoals zij dat deden. Zelfs hij als apostel, met al zijn bekwaamheid en deskundigheid, zou hen niet kunnen stichten als hij niet op een normale begrijpelijke wijze tot hen zou spreken. Nieuwe openbaringen, duidelijke uitlegging van teksten en zelfs de leerrijkste verhandelingen zouden onvruchtbaar zijn in een taal, die niet verstaan werd door de toehoorders. Openbaring wil zeggen dat Adonai bekend maakt wat tot nog toe onbekend is. Profetie is niet zozeer een voorspelling van de toekomst, maar veeleer een belangrijke mededeling van de Eeuwige ten opzichte van de hele gemeenschap of van individuele personen. Dat kan een vermaning inhouden, maar ook een bemoediging. Kennis is de inhoud van wat doorgegeven moet worden als onderricht. In elk geval geeft de Eeuwige dit alles om de gemeente toe te rusten voor haar taak in deze wereld en is daarom ook uitermate belangrijk. Het zou daarom echt weinig zinvol geweest zijn als Sha’ul helemaal naar Griekenland was gekomen om de talengave toe te passen in de gemeentesamenkomst in plaats van deze vier geestesgaven die zo typerend waren voor zijn bediening.

 

7 Hoe toch zal men zelfs bij onbezielde dingen, die geluid geven, fluit of citer, als zij geen verschil in toon doen horen, te weten komen wat op de fluit of de citer gespeeld wordt?

 

In deze verzen gebruikte Sha’ul als vergelijkingsmateriaal een fluit, een harp, die aldoor op dezelfde toon een eind weg spelen. Welk nut zou dat kunnen hebben voor de dansers? Hoe konden zij er dan hun passen naar regelen als er geen onderscheid van klank was? En zo zijn onverstaanbare talen dus gelijk aan muziekinstrumenten zonder onderscheid van geluid zoals een fluit met slechts één klep of een harp met niet meer dan één snaar.

 

8 Immers, indien de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich gereed maken tot de strijd? 9 Evenzo, indien gij met uw tong [door uw taal] geen verstaanbare volzin spreekt, hoe zal men het gesprokene begrijpen? Gij zoudt immers in de lucht spreken?

 

In deze vergelijking zouden de Joden ongetwijfeld een Shofar [ramshoorn] herkend hebben en de heidenen een trompet van het Romeinse leger. In beide gevallen werd het schallende geluid van deze blaasinstrumenten gebruikt om boodschappen door te geven. Elk signaal had zijn eigen betekenis. Als de Shofar of de trompet een onduidelijk geluid zou voortbrengen, waardoor de soldaten niet konden begrijpen of zij nu moesten aanvallen of juist terugtrekken, dan zou dat rampzalige gevolgen gehad hebben voor het verloop van de oorlog. En daarom is ook het toepassen van de talengave in een christelijke samenkomst even doelloos als het onzekere geluid van een bazuin op het slagveld.  

 

10 Er zijn wie weet hoe vele soorten van klanken in de wereld en niets is zonder zijn eigen klank. 11 Indien ik nu de betekenis van een klank niet ken, zal ik voor iemand, die spreekt een vreemde zijn en de spreker zal voor mij een vreemde zijn.

 

Hier vergelijkt Sha’ul de glossolalie met het gebrabbel van barbaren. Men maakte toen in de Romeinse en Griekse wereld onderscheid tussen beschaafde en primitieve talen. Sommige talen zijn in onze oren slechts klanken. Denk maar aan het Xhosa in Zuid-Afrika, want wie van u heeft nog nooit de bekende “Click-song” van Miriam Makeba gehoord? Maar toch heeft elk woord van de vele talen in deze wereld zijn eigen betekenis en geeft de mogelijkheid om zich ermee uit te drukken. Maar welke eigen betekenis de woorden van enige taal op zichzelf ook mogen hebben zijn ze niets meer dan gebrabbel voor anderstaligen die ze niet kunnen verstaan. In dit geval zijn zowel de sprekers alsook de toehoorders barbaren voor elkaar, want zij spreken en horen niets dan onverstaanbare klanken. Dat noemde men barbaars. De beschaafde Romeinse dichter Ovidius, die door keizer Augustus in het jaar 8 A.D. verbannen werd naar de stad Tomis, een uithoek van het Romeinse Rijk aan de westkust van de Zwarte Zee in de provincie Pontus, schreef de bekende woorden: “Barbarus hic ego sum, qui non intellegor ulli [Ik ben hier een barbaar, omdat niemand mij kan verstaan]”. In de gemeente een onbekende taal spreken zonder vertolking is barbaars; want men gedraagt zich dan als een barbaar en daarom is dit bovenmate nutteloos.

 

12 Zo moet ook gij, omdat gij naar geestelijke gaven streeft, trachten uit te munten tot stichting van de gemeente.

 

Opnieuw de oproep om met de geestelijke gaven die de Eeuwige je geeft niet jezelf, maar de gemeente te stichten. Je eigen geestelijke groei wordt niet bewerkstelligd door in “tongen” te spreken, maar door de geschriften nauwkeurig te bestuderen en kennis te verwerven.

 

13 Derhalve moet hij, die in een tong [vreemde taal] spreekt, bidden, dat hij het moge uitleggen.

 

Sha’ul adviseert hier degenen die de talengave hebben ontvangen om ervoor te bidden dat zij het ook kunnen uitleggen, want met het woordje vertolking, dat we reeds in hoofdstuk 12 tegenkwamen,  wordt niet alleen maar simpelweg vertalen mee bedoeld. Als het alleen maar zou gaan om het vertalen van datgene wat door de gave van de Ruach [Geest] gezegd wordt in de vreemde talen die de spreker zelf nooit heeft geleerd, dan is daarvoor geen andere geestesgave nodig omdat ook een taalkundige dit zou kunnen doen. Maar wij moeten niet vergeten dat het spreken in talen met de juiste uitlegging hetzelfde is als profeteren, voorzover het geen lofprijs is! De boodschap die in Korinthe in vreemde talen werd verkondigd, moest dus niet alleen vertaald, maar ook uitgelegd worden, want het woord van G’d, de Bijbel, was immers nog niet voleindigd, zodat toentertijd nog nieuwe waarheden geopenbaard werden. Als dat door het spreken in vreemde talen gebeurde, dan moest het zowel vertaald alsook uitgelegd worden en daartoe diende derhalve de genadegave van de uitlegging van de talen. Het is bovendien erg moeilijk om de concentratie vast te houden als men tegelijkertijd spreekt en iedere zin vertaalt. Nog een reden dus voor het gebed om G’ddelijke bijstand. Dit gebed vraagt echter om een actieve gebedshouding en dat komt derhalve niet overeen met een toestand van extase, waarin tegenwoordig velen verkeren die “in tongen spreken”.

 

14 Want indien ik bid in een tong [vreemde taal], bidt mijn geest wel, maar mijn verstand blijft onvruchtbaar. 15a Hoe staat het dan? Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand;

 

Veel charismatische leiders betrekken dit vers op het “bidden in de Geest” dat wij in hdvhy Yehuda [Judas] 1:20 tegenkomen: “Maar geliefden, bouwt gij uzelf op uw allerheiligst geloof, biddende in de Heilige Geest” en zeggen daarmee dan ook dat het “bidden in de Geest” verwijst naar het “spreken in tongen”. Dit is echter een groot misverstand, want terwijl Judas 1:20 het heeft over het “bidden in de Heilige Geest” is er in 1 Kor 14:14 sprake van “bidden met mijn geest”, dus niet “in” maar “met” en niet G’ds Geest, maar mijn geest. Hier worden het bidden met het verstand en het bidden met de geest los van elkaar gekoppeld. Het normale gebed gebeurt met de geest en met het verstand. Als er door middel van glossolalie wordt gebeden valt het verstand weg. Degene die in vreemde talen bidt weet immers niet wat hij bidt. Nogmaals: let dus wel dat in deze tekst staat "mijn geest". Het gaat hier niet om de Heilige Geest maar om de eigen menselijke geest. Het “bidden in de Geest” daarentegen betekent bidden in overeenstemming met de leiding van de Heilige Geest. De Heilige Geest zal ons leiden in onze gebeden en wanneer wij die leiding volgen, bidden we in Zijn Geest, dus zoals Hij dat van ons verwacht. Judas 1:20 heeft dus helemaal niets van doen met het bidden in tongen. Maar ook 1 Kor 14:14 zelf is eigenlijk helemaal geen aanmoediging om in tongen te bidden. Integendeel! Sha’ul keurde het juist af en schreef nadrukkelijk dat zijn verstand onvruchtbaar zou blijven indien hij in tongen zou bidden. Vervolgens liet hij ons weten dat het daarentegen de bedoeling is om zowel met de geest alsook met het verstand te bidden. Je moet immers weten wat je bidt! Aan de hand van zijn eigen voorbeeld schreef Sha’ul dat hij er de voorkeur aan gaf om te spreken en te bidden met zijn volle verstand. Hij verweet de Korinthiërs dat zij in de samenkomst hun verstand op nul gingen zetten en gebruikte hiervoor het Griekse woord nouV nous, wat te maken heeft met het verstand en het tegenovergestelde is van domheid. Sha’ul wilde daarmee niet zeggen dat de Korinthische sprekers hun eigen uitingen niet konden verstaan, maar veeleer dat ze met domheid, zonder verstand, spraken, want zoals gezegd geeft de ontkenning van nouV nous de domheid te kennen. Als hij bedoeld zou hebben dat ze er maar wat op los hadden gebrabbeld, dan zou Sha’ul namelijk in dit verband gebruik gemaakt hebben van werkwoorden als akouw akouo [verstaan] zoals in vers 2, ginwskw ginosko [kennen] in vers 7 en 9 en eida eida [weten] in vers 11 en 16 van ditzelfde hoofdstuk. Deze drie werkwoorden zijn uitermate geschikt om een gemis aan begrip of aan het kennen van een taal uit te drukken. Sha’ul zou ze dus zeker gebruikt hebben als hij bedoeld zou hebben dat degene die de talengave verkeerd toepaste, een brabbeltaal had gesproken. Hij koos dus erg fijntjes zijn woorden op een manier om nuances aan te brengen. Concluderend, de tekst van de verzen 14 & 15 toont aan dat deze talen weliswaar werden uitgeoefend met domheid, maar niet zonder de eigen uitingen te verstaan, zoals in het geval van extatisch gebrabbel.

 

15b ik zal lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand.

 

In bovenstaande tekst staat duidelijk lofzingen met mijn geest. Hier geldt dus hetzelfde als in het vers hierboven: "mijn geest." Het gaat hier wederom niet om de Heilige Geest maar om de eigen menselijke geest. Het zogenaamde zingen in de Geest is dus een volledig onbijbels gebruik, want het komt nergens in de bijbel voor. Dat is op zich al reden genoeg om het af te wijzen, maar zelfs al zou het bijbels verantwoord zijn (wat het dus niet is), dan nog zouden sowieso ook voor het “zingen in tongen” uiteraard de bijbelse regels voor het in het openbaar “spreken in tongen” gelden zoals vermeld in de verzen 27-35. Maar ook in dit geval worden deze beperkingen helaas over het algemeen grotendeels genegeerd, want het zijn heel vaak juist de zusters die het ‘op hun hart krijgen’ om te zingen in tongen. Dat doen ze het liefst niet solo maar meestal met meer dan drie tegelijk en zingend vertolken heb ik nooit meegemaakt.

 

16 Want anders, indien gij een zegen uitspreekt met uw geest, hoe zal iemand, die als toehoorder aanwezig is, op uw dankzegging zijn amen spreken? Hij weet immers niet, wat gij zegt. 17 Want gij dankt wel goed, doch de ander wordt er niet door gesticht.

 

Terwijl het wonder tijdens Shavuot [Pinksteren] te Jeruzalem in allerlei heidense, niet-joodse talen plaats vond, zou het best nog wel eens kunnen dat de Eeuwige in Korinthe juist het Hebreeuws als talengave gebruikt als teken voor de Griekstalige Joden, die het weliswaar niet verstaan, maar wel als de heilige taal herkennen. In dat geval is een aan Adonai gerichte lofprijs in het Hebreeuws zeer legitiem en dat zou een verklaring kunnen zijn voor vers 16: “Indien gij een B’racha [zegen] uitspreekt met uw geest, hoe zal iemand, die als toehoorder aanwezig is, op uw dankzegging zijn amen spreken? Hij weet immers niet wat gij zegt!” - Daarom dient ook een B’racha [zegen] vertaald te worden voor degenen die deze taal niet machtig zijn. Het is al een paar keer gezegd: het doel en het nut van het spreken in vreemde talen is: “Tot welzijn van allen!” (1 Kor 12:7). Wie in een taal spreekt die de toehoorders verstaan (b.v. in de zending) doet dit tot welzijn van allen, maar wie in een taal spreekt die niemand van de toehoorders verstaat en ook niet vertaalt of laat vertalen, die spreekt niet ten behoeve van anderen maar ten behoeve van zichzelf om te laten zien hoe geestelijk hij of zij is.

 

18 Ik dank G’d, dat ik meer dan gij allen in tongen [vreemde talen] spreek

 

Sha’ul schrijft in vers 18 dat hij meer in vreemde talen sprak dan alle leden van de gemeente te Korinthe bij elkaar. Sommige theologen menen hierin het bewijs te zien dat hij een groot aanhanger van de glossolalie geweest moest zijn en deze ook meer dan anderen uitoefende. Maar als de glossolalie echt een brabbeltaal zou zijn, hoe kon Sha’ul dan weten dat hij deze vaker had gesproken dan al die andere gelovigen te Korinthe? Hij was er toch niet altijd bij? De enige mogelijkheid is dat deze talen normále, bestaande vreemde talen waren en geen extatisch gebrabbel en dat lijkt mij ook de meest logische verklaring! In deze gemeente zal er wel niemand geweest zijn die zoveel gereisd heeft als Sha’ul en ook zo begaafd was met talen, want als Romeinse staatsburger sprak hij uiteraard Grieks en Latijn, als farizeese Jood sprak hij Hebreeuws en Aramees, en naar alle waarschijnlijkheid sprak hij ook Arabisch en en talrijke dialecten uit Klein-Azië en het Midden-Oosten). Wij weten uiteraard dat Sha’ul een geestvervuld man was en zeker ook over de talengave beschikte, maar ook zonder deze gave had Sh’aul evengoed de mogelijkheid gehad om meer vreemde talen te leren dan al de leden van de gemeente te Korinthe en kon daarom ook met zekerheid zeggen dat hij meer talen sprak dan zij allen bij elkaar. Kortom, hij had het hier dus echt wel over normale talen en geen onsamenhangende klanken en dat is misschien ook één van de redenen geweest, dat hij door de Eeuwige was geroepen om aan vele volken het Evangelie te verkondigen.

 

19 maar in de gemeente wil ik liever vijf woorden met mijn verstand spreken, om ook anderen te onderwijzen, dan duizenden woorden in een tong [vreemde taal].

 

Omdat Sha’ul hier schrijft dat de “duizenden woorden in een vreemde taal” zonder verstand gesproken zouden worden, suggereerd deze passage dat daarmee geen normale taal zou zijn bedoeld maar slechts onsamenhangende klanken. Daarom is het gebruik van de term logoV lōgos [rede, woord, volzin] in dit vers van groot belang, want de oude Grieken hebben deze term steeds gebruikt voor een duidelijke, verstandige uitdrukking, maar nooit voor een wartaal! Als Sha’ul dat laatste bedoeld zou hebben, dan zou hij namelijk “klanken” gezegd hebben en niet “woorden”. Wij kunnen hieruit dus begrijpen, dat de "duizenden woorden" (in het Grieks staat er: muriouV logouV murious logous [ontelbaar veel woorden] waar Sha’ul het over had gewone zinvolle uitspraken of toespraken zouden zijn geweest, alhoewel ze in een onbekende taal zouden uitgesproken worden. Want als logoV lōgos op zichzelf steeds een woord met een duidelijke inhoud aanduidt, dan kan men uit dit vers niet afleiden, dat er ook een logoV lōgos zou kunnen bestaan, die niet betekenisvol zou zijn. Dat zou in strijd zijn met de diepere betekenis van dit woord, waarvan overigens ook het ons bekende woord “logica” is afgeleid en zodoende is het nogal “logisch”, dat een "logos", dat in een onbekende taal wordt uitgesproken, weliswaar zonder betekenis is voor degenen die deze taal niet verstaan, maar wel degelijk een betekenis heeft en daarom is er met betrekking tot de talengave hier absoluut geen sprake van een onduidelijk of onverstaanbaar gebrabbel of een wartaal. Maar Sh’aul gaf er wel de voorkeur aan om in de gemeente [en ekklhsia en ekklēsia] de officiële taal die iedereen verstaat, het Grieks, te spreken om zijn broeders en zusters daar te kunnen onderwijzen [kathchsw kat-ēchēso].

 

20 Broeders, weest geen kinderen in het verstand, maar in de boosheid; wordt in het verstand volwassen.

 

Aan de vermelding van het doel van de talengave in de verzen 21-22 gaat de bovenstaande vermaning om het kinderlijke af te leggen en eindelijk geestelijk volwassen te worden vooraf. Maar waarom die vermaning? Wel, dat blijkt wel uit de context van het hele hoofdstuk 14: de Korinthiërs verstonden blijkbaar niet waarvoor de Eeuwige de gave om in vreemde talen te spreken eigenlijk gaf en daardoor waren zij dus kinderen in het verstaan, want zij gebruikten die gave namelijk niet als een teken voor ongelovigen, dus buiten de gemeente, maar juist om in de gemeente te spreken. De verkeerde toepassing van deze gave in de samenkomst geeft blijk van weinig verstand en inzicht. Dat misverstand hoefde in principe geen boze opzet te zijn, maar wel als zij met die gave trachtten te pronken, wat sommigen blijkbaar ook deden. Zij beschouwden zichzelf weliswaar als verstandig en wijs, maar zoals zij met de talengave omgingen gedroegen zij zich echt als kinderen, zonder op de gevolgen te letten, want als zij hun verstand hadden gebruikt dan hadden ze vanzelf moeten beseffen dat het hardop spreken in talen die niemand verstaat zonder vertaling en uitleg nergens op slaat en niemand baat. En dan had Sha’ul het hier nog wel over de echte gave en niet eens over dat occulte gebrabbel! Zoals ik reeds diverse keren heb benadrukt, bedoelde hij namelijk steeds bestaande talen als hij het Griekse woord glwssa glossa gebruikte en niet "tongen" in de zin van ongearticuleerde en onsamenhangende onverstaanbare klanken en woorden, die min of meer zouden overeenstemmen met de glossolalie van de heidenen. Maar iemand die de echte talengave niet kan onderscheiden van een imitatie die afkomstig is van andere geesten, is eveneens geestelijk nog niet volwassen. Een zeer jong, onmondig kind van G’d kan er misschien door anderen toe geleid worden om te pas en te onpas in "tongen" te willen spreken en er dus maar op los brabbelen, maar een volwassene in het geloof zou zeker dit kinderlijke moeten afleggen en de Schriften onderzoeken naar de werkelijke genadegave van het spreken in talen. In elk geval is het ons nu wel duidelijk waarom Sha’ul in de verzen 14 en 15 heeft gezegd dat het verstand onvruchtbaar blijft als men in onbekende talen zou bidden in de samenkomst. De aanwezige personen die deze talen niet kenden, konden die niet verstaan zonder vertaling en werden dus niet opgebouwd. Dus nogmaals, degenen die hun gaven beoefenen zonder dat anderen hierdoor worden opgebouwd, doen het zonder nut en dus zonder verstand, op een domme manier en zo zijn zij dus wat het verstand betreft kinderen. Daarom roept Sha’ul hen op om naar het verstand volwassen te worden!

 

21 In de Tora [wet] staat geschreven: Door lieden van een andere taal en door lippen van vreemden zal Ik tot dit volk spreken, en toch zullen zij naar Mij niet luisteren, zegt de Eeuwige. 22 Derhalve zijn de tongen [vreemde talen] een teken niet voor hen, die geloven, maar voor de ongelovigen; de profetie echter is niet voor de ongelovigen, maar voor hen, die geloven.

 

Het zogenoemde 'spreken in tongen' is in de Bijbel dus weliswaar een groot wonder, maar het gaat daarbij uitdrukkelijk om concrete, bestaande talen en juist dát bepaalt ook de diepere betekenis van dit fenomeen. Toen Sha’ul uitgebreid inging op de talengave haalde hij een profetie aan uit het boek vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] om daarmee aan te tonen dat het spreken in vreemde talen een speciaal teken is voor het volk Israël. De Eeuwige sprak hier door middel van niet-Hebreeuwse talen tot Israël. Deze passage vertelt ons het Bijbelse doel van de talengave, namelijk: “De vreemde talen zijn tot een teken niet voor hen, die geloven, maar voor de ongelovigen (en dan ook nog eens voor de ongelovige Joden, zie ook 1 Kor 1:22!).” - Vers 21 van hoofdstuk 14, waar staat: “In de Tora staat geschreven”, is een verwijzing naar ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 28:49 en vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 28:11-13. In deze teksten staat achtereenvolgens: “De Eeuwige zal tegen u doen aanrukken een volk, dat van verre komt, van het einde der aarde, zoals een arend aanzweeft: een volk, waarvan gij de taal niet verstaat” en: “Voorwaar, door mensen die een onverstaanbare taal spreken, en in een vreemde tongval zal tot dit volk spreken Hij, die tot hen gezegd heeft: Dit is de rust, geeft de vermoeide rust, en dit is de verademing. Maar zij wilden niet horen. Zo zal voor hen het woord van de Eeuwige zijn: wet op wet, wet op wet, eis op eis, eis op eis, hier wat, daar wat, opdat zij bij hun gaan achterwaarts struikelen en te pletter vallen, verstrikt en gevangen worden.” In de grondtekst luidt een korte passage in vers 13 als volgt:

 

,> ryiz ,> ryiz vql vq vql vq vjl vj vjl vj

Tzav latzav, tzav latzav, qav laqav, qav laqav, z’eir sham, z’eir sham

 

In verband met het onderwerp spreken in tongen doet deze passage inderdaad op het eerste gezicht denken aan een gebrabbel, maar toch is het gewoon Hebreeuws. De beide door Sha’ul genoemde citaten kondigen aan dat de Eeuwige heidenen tot de Israëlieten zal laten spreken door een andere taal. Toch zullen ze niet luisteren en om hun ongehoorzaamheid zullen zij achterover vallen, zich de nek breken en gevangen worden. Met andere woorden: het oordeel zal volgen! Vreemde talen zijn voor het volk Israël dus ook een verwijzing naar het feit dat Adonai gaat oordelen! Ziet u overigens dat het in de Bijbel genoemde “achterover vallen” niets te maken heeft met het zogenaamde “vallen in de Geest”, zoals men beweert binnen bepaalde charismatische kringen, maar veeleer met het komende oordeel van G’d, waardoor de ongehoorzamen getroffen worden! Een duidelijk voorbeeld hiervoor zien wij bij de oude priester Eli, die eveneens achterover viel, zijn nek brak en stierf, toen hij hoorde dat de Filistijnen ,yhlah ]vra Aron haElohim [de ark van G’d] veroverd hadden nadat hij zijn zonen in het Huis van Adonai liet zondigen (a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 4:18). Het is daarom eigenlijk typisch dat ze juist in die kringen waar de Tora het meest genegeerd wordt om de haverklap achterover vallen…

 

22 Derhalve zijn de tongen [vreemde talen] een teken niet voor hen, die geloven, maar voor de ongelovigen; de profetie echter is niet voor de ongelovigen, maar voor hen, die geloven.

 

Korinthe was in de tijd van Sha’ul een internationale haven en derhalve dus een wereldstad, waar behalve Grieken en Romeinen o.a. ook Egyptenaren, Syriërs en Joden woonden. Met name om deze reden wees Sha’ul de gelovigen in Korinthe zo streng terecht vanwege het verkeerde gebruik van de talengave. In plaats van bijvoorbeeld naar de haven van Korinthe te gaan om daar de zeelieden uit alle delen van de wereld door gebruik van de gave van het spreken in vreemde talen het evangelie te verkondigen, genoten de Korinthiers in hun eigen samenkomsten van deze spectaculaire gave. Maar hier werden ze door niemand verstaan. Eigenlijk hoefden ze slechts de deur uit te gaan om deze gave doelmatig toe te passen. In Korinthe is de messiaanse gemeente namelijk ontstaan uit de synagoge. In tvlipm Mif’alot [Handelingen] 18:1-7 lezen wij dat er een zware strijd is geweest tussen de orthodoxe Joden en de messiasbelijdende Joden in de synagoge te Korinthe. Als gevolg daarvan is Sha’ul met deze groep uit de synagoge gegaan en sindsdien kwam de nieuwe gemeente bijeen in het huis van de bewaarder van de synagoge pal naast de sjoel. Omdat alle deuren open stonden met dat warme Griekse weer en de messiaanse gelovigen evenals hun orthodoxe buren uiteraard op Shabat hun samenkomsten hielden en niet op zondag, was deze locatie uitermate geschikt om de talengave toe te passen. Zij zaten daar pal naast de ongelovige Joden en kwamen hen buiten regelmatig tegen. Dan kon de talengave in Korinthe inderdaad een teken zijn voor de ongelovigen. Ik wil hiervoor nogmaals wijzen op hetgeen ik bij vers 2a schreef. Maar ook in dit geval heeft men daar blijkbaar geen gebruik van gemaakt en daarom was Sha’ul niet erg gelukkig met het spreken in vreemde talen zoals dat in Korinthe gebeurde.

 

23 Indien dan de gehele gemeente bijeengekomen is en allen in tongen [vreemde talen] spreken, en er komen toehoorders of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen, dat gij wartaal spreekt? 24 Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of toehoorder binnen, dan wordt hij door allen weerlegd, wordt hij door allen doorgrond, 25 het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij zal zich ter aarde werpen, G’d aanbidden en belijden, dat G’d inderdaad in uw midden is.

 

Als Sha’ul zo benadrukte dat de talengave als teken voor ongelovigen bedoeld is, waarom schreef hij dan dat willekeurige toehoorders en ongelovigen die de samenkomst bezoeken zouden zeggen het wartaal is als de gelovigen allemaal in vreemde talen spreken? Wel, ten eerste is het sowieso al niet de bedoeling dat ze dat met zijn allen tegelijk doen (wat helaas tegenwoordig maar al te vaak gebeurt), maar hooguit drie en dan nog maar om de beurt, want anders lijkt het echt een geroezemoes als op een receptie. Ten tweede zijn de vreemde weliswaar een teken voor ongelovigen, maar zij kunnen niet als teken funktioneren als men in talen spreekt die de toehoorders niet kennen. We hebben gezien, dat er op de Pinksterdag ook waren, bij wie het teken niet werkte en dat zij spottend zeiden: “Zij zijn dronken!”, en dat is dus dezelfde gedachte als: “Zij spreken wartaal!” Met andere woorden: als de Eeuwige de talengave geeft als teken voor de ongelovigen, dan gebruikt Hij daarvoor een taal waar de doelgroep iets aan heeft. Als dat niet het geval is, dan doet men dit uit het vlees en wordt deze gave op een verkeerde manier toegepast en deze twee verzen beklemtonen dus, dat vreemde talen spreken, als niemand ze verstaat, zinloos is. Waarom b.v. Fries spreken in een Griekse gemeente terwijl daar helemaal geen Friezen aanwezig zijn en niemand die taal kent? Een willekeurige bezoeker van zo'n bijeenkomst zou zeggen: hier wordt wartaal gesproken tenzij... de vreemde taal ook zou worden vertaald. Alleen in dat geval kan er stichting en nut uitgaan van het 'spreken in talen'. Sha’ul liet zich tamelijk denigrerend uit over het 'spreken in talen' in de gemeente. Slechts in aanwezigheid van een vertolker achte hij het acceptabel en betitelde degene die deze talen niet begreep als idiwthV idiōtes. Dit woord doet ons onmiddellijk denken aan “idioot” en roept bij ons de gedachte op dat de persoon in kwestie ze niet allemaal op een rijtje heeft. De NBG vertaalt dit Griekse woord in de verzen 16 (idiwtou idiōtou), 23 (idiwtai idiōtai) en 24 (idiwthV idiōtes) met “toehoorders”, maar dat geeft helaas een totaal vertekend beeld. De term idiwthV idiōtes verwijst namelijk naar een persoon zonder onderwijs, die niet geleerd, gestudeerd heeft. Ik vind het overigens wel opvallend, dat idiwthV idiōtes in Hnd. 4:13 en in 2 Kor 11:6 door de NBG opeens wel met “ongeletterden” vertaald wordt, niet erg consequent dus! De Statenvertaling daarentegen vertaalt dit woord ook in bovengenoemde teksten consequent met “ongeletterden”. Waarom dan dit kleine nuanceverschil bij de NBG? Heel eenvoudig: de vertalers van de NBG zijn blijkbaar voorstanders van het zogenaamde “spreken in tongen” en hebben om deze reden ook glwssa glōssa met “tong” vertaald om daarmee te suggeren dat daar gebrabbel mee bedoeld zou zijn en geen taal. Om dezelfde reden vertaalden zij volgens mij idiwthV idiōtes heel algemeen met “toehoorders” en niet specifiek met “ongeletterden”, want een geletterde bezoeker zou gebrabbel dat men tegenwoordig hanteert als een wartaal beschouwen, maar een bestaande taal als zodanig herkennen ook al zou hij er niets daarvan verstaan. Een ongeletterde daarentegen zou ook een bestaande taal als wartaal bestempelen als hij haar niet verstaat. Het neutrale “toehoorders” suggereert dus, dat elke willekeurige bezoeker de glossolalie als wartaal zou bestempelen, maar uitgaande van de juiste vertaling, namelijk “ongeletterden”, mogen wij concluderen dat het hier dus normale talen talen betreft en geen occulte uiting zoals het extatisch gebrabbel.

 

26 Hoe staat het dan, broeders? Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een openbaring of een tong [vreemde taal] of een uitlegging; dat alles moet tot stichting geschieden. 27 Indien er in tongen [vreemde talen] spreken, laten het er twee, ten hoogste drie zijn, ieder op zijn beurt, en laat een uitleg geven. 28 Is er echter geen uitlegger, dan moet men zwijgen in de gemeente, maar tot zichzelf en tot G’d spreken.

 

Sha’ul zei dat degenen die in de samenkomst vreemde talen spraken, tot zichzelf en tot G’d moesten spreken als er geen uitlegger was. Maar hoe kon men tot zichzelf praten zonder de eigen woorden te begrijpen? Dat betekent dus, dat degene die deze talen sprak wel degelijk verstond wat hij zei! Maar wat voor nut zou het hebben tot zichzelf te spreken? De charismatische uitleg van de laatste woorden in deze tekst is over het algemeen, dat het “spreken in tongen” zonder uitleg een privé-gebedstaal is, want Sha’ul schreef immers dat men in dat geval tot zichzelf en tot G’d moest spreken. Wanneer u dit tekstgedeelte op zich bekijkt, zou u dat inderdaad kunnen concluderen. Maar in dit gedeelte zien we hoe belangrijk het is om bij het bijbellezen naar de hele context te kijken. Leest u het hele hoofdstuk 14 nog maar eens heel kritisch over. Ziet u nu hoe deze passage binnen de charismatische uitleg uit zijn verband gehaald wordt? Dit tekstgedeelte zegt namelijk helemaal niets over een privé-gebedstaal! Nee, Sha’ul laat ons hier slechts zien hoe nutteloos het is om te spreken in een taal die niet bekend is voor de toehoorders. Daarom is deze passage dan ook beslist geen aanbeveling om het zo te doen, maar is eerder cynisch bedoeld. De woorden dat men bij gebrek aan vertolking maar beter tot zichzelf en tot G’d kan spreken hebben dezelfde lading als de hedendaagse gezegde dat men net zo goed tegen de muur kan praten. Maar dat vat je toch ook niet letterlijk op? We hebben inmiddels opgemerkt dat de context over onderwijs en opbouw gaat, maar hoe kan een onbekende taal de gemeente opbouwen? Dat kan niet, en daarom spreekt zo iemand niet tot opbouw van de gemeente, want de enigste die weet wat hij zegt is hijzelf en uiteraard ook G’d, maar voor de rest heeft er niemand wat aan. Sha’ul stond de Korinthiers in hun samenkomsten het spreken in talen weliswaar toe, maar alleen onder bepaalde voorwaarden: Ten eerste mochten er slechts twee of hoogstens drie achter elkaar spreken, en ten tweede moest er een uitlegger zijn. Als deze ontbrak, mocht er niet hardop in talen worden gesproken. Heel duidelijk dus! Niet meer dan twee of drie per samenkomst, en op een ordelijke wijze, dus na elkaar en niet tegelijk. Ten derde moest er een vertolking worden gegeven en anders moest worden gezwegen. Ten vierde moest er wat gezegd werd ook getoetst worden, want als spreken in talen vertolkt wordt staat het immers gelijk aan profetie en alle profetie moet getoetst worden aan de Bijbel. Ten vijfde (dat staat iets verop): er mochten slechts mannen spreken! Vrouwen was het niet toegestaan te spreken in de samenkomst. Deze passages laten heel duidelijk zien dat er grenzen waren aan het gebruik van de talengave binnen de gemeente. Het gebruik van vervalste tongen leidt tot christenen, die onder de macht van de boze staan. In vele charismatische groepen worden deze genoemde beperkingen tegenwoordig geheel of gedeeltelijk geschonden en daarmee gaan ze regelrecht tegen het Woord van G’d in! Meestal staan er meer dan drie voor in de gemeente in een kring “in tongen” te spreken. Of de hele gemeente doet dapper mee, en meestal wordt er helemaal niets uitgelegd! Bovendien zijn het vaak de zusters die in de samenkomst het meest “in tongen” spreken of zingen. De mensen willen gewoonweg niet luisteren, en volgen hun eigen weg. Het resultaat is geestelijke verwarring. Men spreekt een geestelijke wartaal, die zoals wij in de vorige afleveringen van deze studiereeks hebben gezien ook binnen occulte kringen te vinden is. Het lijkt mij nogal logisch dat niet de Heilige Geest, maar een andere geest mensen dingen laat doen die G’d verboden heeft, want anders zou Hij Zichzelf tegenspreken. Het kan niet zo zijn dat een hele gemeente tegelijk en dan ook nog grotendeels de zusters, door elkaar heen in tongen bidt onder luichtruchtig beamen en dan beweert dat de Heilige Geest dat alles zou bewerkstelligen. Neen! Daar zijn andere geesten aan het werk, zeker als dit verschijnsel ook nog gepaard gaat met “vallen in de geest”! Wees waakzaam! Als we ons openstellen voor bovennatuurlijke machten die niet van G’d afkomstig zijn, dan zetten we de deur van onze gemeente wagenwijd open voor de machten der duisternis: “Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Efeziërs 6:12).

 

29 Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen. 30 Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt, moet de eerste zwijgen. 31 Want gij kunt alleen een voor een profeteren, opdat allen lering en allen opwekking erdoor ontvangen. 32 En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen, 33 want G’d is geen G’d van wanorde, maar van vrede.

 

Deze aanwijzingen lopen grotendeels parallel met die voor het spreken in talen, want ook wat de profeten betreft zei Sha’ul, dat er “twee of drie” het woord mochten voeren en dat de anderen moesten onderzoeken en beoordelen wat dezen gesproken hadden, dus vaststellen en onderscheiden wat daarin al of niet g’ddelijke ingeving was. Maar ook de spreker zelf moest er van zeker kunnen zijn dat de profetie van de Eeuwige afkomstig was en niet uit een andere bron, maar daarvoor had hij wel zijn volle verstand nodig! Hij was dus geen willoos medium zo als bijvoorbeeld de Pythia in Delphi, dat zich gedroeg alsof het buiten zinnen was. Daarom voegde Sha’ul er dadelijk bij, dat de geesten der profeten aan de profeten onderworpen zijn. Dat wil dus zeggen, dat de geestelijke gaven, die zij bezitten, hen in het bezit van hun eigen verstand laten en de mogelijkheid geven om hun eigen oordeel in de toepassing van deze gaven te gebruiken. G’ddelijke ingevingen zijn niet zoals de heidense orakels onregeerbaar, chaotisch en extatisch, maar zij zijn nuchter en kalm, en doen iemand zich redelijk gedragen. Bijbelse profetie verschilt dus wezenlijk van het heidense orakel, waarbij het medium in een toestand van trance en extase verkeert en zichzelf niet meer onder controle kan houden. De broeder, die daarentegen door Ruach haQodesh [de Heilige Geest] geïnspireerd wordt, blijft echter volledig bij zinnen en neemt de regels van natuurlijke orde en fatsoen in acht terwijl hij zijn openbaringen aan de kehille [gemeente] meedeelt. Een g’ddelijke ingeving mag dus in geen geval verwarring in de gemeente aanrichten en wanorde tot stand brengen. Daarom moet men gewoon op zijn beurt wachten en niet tegelijkertijd profeteren, want wat voor een indruk zouden oplettende gasten van onze G’d krijgen als de samenkomsten op wanordelijke en rumoermakende wijze zouden plaats vinden? Zouden ongelovigen of zoekenden dan niet denken: “Wat een zootje is dat hier”? Men zou de reputatie van Adonai als de G’d van vrede en orde daarmee ernstig beschadigen. Daarom moeten wij erop toezien dat de erediensten zodanig bestuurd worden, dat er geen verkeerde of oneerbare mening over G’d ontstaat in de harten van de gasten, want Adonai is beslist geen G’d van wanorde maar van Shalom!

 

34 Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de Tora [wet] zegt. 35 En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente.

 

Tenslotte geeft Sha’ul een instructie die ook vandaag nog geldt, maar voor velen een heet hangijzer is. Ik heb over dit onderwerp een aparte tweedelige bijbelstudie geschreven. Deze instructie luidt, dat de vrouwen dienen te zwijgen in de gemeenten, want het is hun niet vergund te spreken, maar onderworpen te zijn, zoals ook de Tora zegt. En dat geldt zowel voor het spreken in vreemde talen alsook voor het profeteren, want dit verbod volgt direct op de beperkingen die Sha’ul aan deze beide geestesgaven voor het gebruik in de samenkomst oplegde aan de broeders (vanaf vers 26). Hoewel deze instructie voor velen juist in deze tijd van emancipatie moeilijk te verteren is, staat er toch nogal duidelijk, dat Sha’ul haShaliach, de apostel Paulus, die met g’ddelijk gezag bekleed was, elke actieve betrokkenheid van vrouwen in enige vorm van onderwijs in de gemeente volstrekt afwijst! De vrouw hoort in de gemeente te zwijgen. Hoe gemakkelijk zetten vele kerken en gemeenten zich over dit verbod! Juist als het gaat om het zogenaamde "spreken in tongen", spelen vrouwen vaak een dominerende rol. Dit feit alleen al moet iedere serieuze gelovige tot nadenken stemmen.

 

36 Of is het woord G’ds bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?

 

De Griekse Korinthiërs hadden blijkbaar niet alleen de oorspronkelijke bedoeling van deze geestesgaven uit het oog verloren, maar ook bij wie het allemaal begonnen is. Het naleven van G’ds geboden dat voor de Joodse gelovigen vanzelfsprekend is, was onder de gelovigen van heidense afkomst helaas ver te zoeken. De gemeente te Korinthe is weliswaar als een messiaanse sjoel begonnen, maar zij heeft zich door de grote toestroom van Grieken en Romeinen, die zich onvoldoende hadden losgemaakt van hun heidense achtergrond, al gauw ontwikkeld tot een charismatische christengemeente. Sha’ul benadrukte dat dit niet de bedoeling was.

 

37 Indien iemand meent een profeet of geestelijk mens te zijn, laat hij dan wel weten, dat hetgeen ik u schrijf, een gebod van de Eeuwige is. 38 Maar als iemand hiermede niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend. 39 Zo dan, mijn broeders, streeft ernaar te profeteren, en belemmert het spreken in tongen niet.

 

Het is duidelijk, dat Sha’ul het veelvuldig spreken in vreemde talen in de samenkomst aan banden trachtte te leggen en hij benadrukte dat de voorgaande keiharde uitspraken niet zijn eigen verzinsel waren, maar een gebod van de Allerhoogste! Om dit af te ronden sloot hij dit onderwerp af met de woorden: “Zo dan, mijn broeders (opnieuw nadrukkelijk “broeders”, hetgeen dus de zusters duidelijk uitsluit), streeft ernaar te profeteren, en belemmert het spreken in vreemde talen niet.” Ook hier maant Sha’ul om te streven naar de gaven die de gemeente konden stichten, en met name de profetie, maar hij moedigde het spreken in talen in de samenkomst niet echt aan. Hij schreef slechts dat men het spreken in talen niet moet belemmeren omdat hij daarmee wilde voorkomen, dat men als reactie op zijn eerdere betoog het toepassen van de talengave in zijn geheel zou verhinderen. Maar dat was natuurlijk nooit de bedoeling. Deze gave heeft wel degelijk een functie, mits op de juiste wijze toegepast.

 

40 Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden.

 

Zowel de Tora alsook B’rit haChadasha leren ons dat men G’d moet liefhebben met geheel zijn verstand (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 6:5 en vhyttm Matityahu [Matthéüs] 22:37), zijn intellectuele capaciteiten vernieuwen (Romeinen 12:2) en ontwikkelen (Efeziërs 4:13, ,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 5:12 en 2 Petrus 3:16-18). Helaas nemen tegenwoordig veel te weinig gelovigen de tijd om deze bijbelse opdracht uit te voeren en hun intellectuele gaven en capaciteiten te ontwikkelen en zij bestuderen nauwelijks de heilige geschriften, bijbelse commentaren, Joodse cultuur, het Grieks, het Hebreeuws en de geschiedenis. "Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis", luidt het woord van Adonai! (i>vh Hoshea [Hosea] 4:6). Een gebrek aan kennis van G’ds Woord kan leiden tot ernstige dwaalleren en daarom moeten wij dagelijks in onze stille tijd de Eeuwige bidden om wijsheid en inzicht door Zijn Ruach haQodesh.

 

Tenslotte

 

Mocht Adonai in Zijn oneindige goedheid en wijsheid u de talengave geschonken hebben, maak er dan gebruik van op de wijze waarop zij bedoeld is, namelijk op het zendingsveld. Maar heeft u deze gave niet ontvangen, strek u er dan ook niet naar uit. Zoek vooral niet de glossolalie als persoonlijke gebedstaal om daarmee rechtstreeks tot G’d te kunnen spreken zoals in sommige kerken geleerd wordt. U heeft er echt geen speciale gave voor nodig om met uw hemelse Vader te kunnen praten, want de toegang tot onze Abba is vrij voor ieder kind van G’d! Hij hoort naar ons ook in onze eigen taal en weet precies wat wij bedoelen. David haMelech heeft ooit geschreven in een psalm: Adonai, Gij doorgrondt en kent mij; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten; Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd. Want er is geen woord op mijn tong, of, zie, Adonai, Gij kent het volkomen” (,ylht Tehilim [Psalmen] 139:1-4).

 

Werner Stauder

 

 

Voor meer informatie over dit onderwerp wil ik u graag deze links aanbevelen:

 

http://www.mayimhayim.org/Hot%20Topic/The%20Gifting%20Of%20Toungues.htm

http://www.ahavta.org/tongues.htm

http://www.solcon.nl/apgeelhoed/htmldoc/toetstong.htm

http://www.solcon.nl/schriftgezag/wordbest/baslhg10.doc

http://www.solcon.nl/apgeelhoed/wordbest/toetsentongen.eigen.doc