022. Bijbelstudie over het
glwssaiV
lalein
In deze vierde en tevens laatste aflevering van deze studiereeks over de talengave zullen wij de hoofdstukken 13 en 14 van de eerste brief aan de Korinthiërs nader onder de loep nemen omdat Sha’ul [Paulus] juist daarin, maar voor in hoofdstuk 14, zelf ook de meeste aandacht aan dit onderwerp besteed heeft:
1 Al ware het, dat ik met de
tongen [talen] der mensen en der engelen sprak, maar had de liefde niet, ik
ware schallend koper of een rinkelende cimbaal. 2 Al ware het, dat ik
profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist,
en al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de liefde niet, ik
ware niets.
De algemene Charismatische uitleg is hier, dat de zogenaamde
“tongentaal” een hemelse gebedstaal zou zijn, die door engelen gesproken zou
worden. Maar men leest daarin meer dan dat er
daadwerkelijk staat, want Sha’ul [Paulus] beweert hier helemaal niet dat de engelen een
eigen, aan ons onbekende hemelse taal zouden spreken. Maar wat zegt deze
passage dan wel? Sha’ul bedoelt ermee, dat
wanneer hij in staat zou zijn om met alle talen te spreken, die zowel door de mensen
alsook door de engelen worden gesproken, dus zowel op aarde alsook in de hemel,
kortom het ganse heelal, maar de liefde niet had, dan maakte hij slechts een
hoop kabaal! Deze passage toont dus slechts aan dat de liefde veel belangrijker
is dan het spreken in allerlei vreemde talen, meer niet! Maar wat bedoelt Sha’ul met de "talen
van de engelen"? De bijbelse basis voor een engelentaal is niet zo
breed, maar desalniettemin zijn er velen door de eeuwen heen ervan overtuigt
dat de taal der engelen niets anders dan het Hebreeuws is, want in het
roepingvisioen van Yeshayahu [Jesaja] wordt gesproken over de Serafijnen die elkaar (in
het Hebreeuws!) het drievoudig >vdq qadosh [heilig] toeroepen (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 6:3). Ook in de Openbaring van Yochanan [Johannes] wordt
gesproken over deze en andere Hebreeuwse woorden waarmee de engelen en de
oudsten de Eeuwige prijzen (]vyzx Chizayon [Openbaring] 4:8-5:14). Bovendien hebben de engelen
Hebreeuwse namen. Het is dus zeer onwaarschijnlijk dat de taal van de engelen
iets anders zou zijn dan het Hebreeuws. Vanuit het Joodse denken representeren
de talen der mensen en der engelen in 1 Kor 13:1 dus respectievelijk de
talen der zeventig volken die ontstaan zijn door de Babylonische
spraakverwarring in ty>arb B’reshit [Genesis]
11:1-9 en de Lashon haQodesh [Heilige Taal],
het Hebreeuws, de hemelse taal die ooit de taal van alle mensen was (Gen 11:1).
De Eeuwige heeft Zijn eigen taal, het Hebreeuws, als communicatiemiddel aan de
mensheid gegeven via de heilige linie en die ook na de Babylonische
spraakverwarring bewaard is gebleven als zijnde de taal van Ever [Heber] en diens nakomelingen, de Iv’rim [Hebreeën], waartoe o.a. zowel Avraham [Abraham], Yitzchaq
[Izaäk] en Ya’aqov [Jakob] behoren alsook Moshe [Mozes], David
en Yeshua. Het is daarom ook geen toeval dat de
Eeuwige in Zijn persoonlijke contacten met mensen uitsluitend in de Hebreeuwse
taal sprak (b.v. Hnd 26:14). Ik zal over dit onderwerp later
in een aparte bijbelstudie nog heel uitgebreid op ingaan. Het woord tyrbi Iv’rit [Hebreeuws] is
afgeleid van het woord rbi Ever dat “overkant"
betekent. Het Hebreeuws is dus een taal, die van de overkant komt, van gene
zijde, van Adonai! Het is een G’ddelijke taal en wanneer wij het Woord van G’d, de
Bijbel, goed willen begrijpen dan kan dit slechts met behulp van de taal van
gene zijde, het Hebreeuws! Het blijkt keer op keer weer, dat enige kennis van
het Hebreeuws onontbeerlijk is om de diepere of geestelijke betekenis van
bepaalde bijbelteksten goed te kunnen snappen, want uiteindelijk was dit de
taal die Adonai reeds
bij de schepping aan de mens gegeven heeft. Hebreeuws is de taal die Adam en ook Noach spraken en aan Moshe [Mozes] openbaarde de
Eeuwige Zijn Hebreeuwse naam: hyha r>a hyha Eh'ye asher Eh'ye ofwel “Ik ben die Ik ben”! De Eeuwige sprak tot onze vaderen vanuit de hemel en Hij
gaf aan de mensheid Zijn Tora [wet] in de Hebreeuwse taal, zowel in gesproken alsook in
geschreven vorm: “En Hij gaf aan Moshe, toe Hij geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinai, de twee tafelen der
getuigenis, tafelen van steen, beschreven door de vinger G’ds - De tafelen
waren het werk G’ds en het schrift was het schrift G’ds, op de tafelen
gegrift!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 31:18 en 32:16). Leidse
Vertaling: “De tafelen waren G’ds eigen werk, en het schrift was G’ds
schrift, gegrift in de tafelen.” - De Hebreeuwse taal en de Joodse religie
lopen dooréén en worden door de orthodoxe Jood beleefd als een onverbrekelijke
eenheid en wordt daarom >dqh ]v>l Lashon
haQodesh [Heilige Taal] genoemd. Het Hebreeuws
betekent voor ons meer dan alleen een communicatiemiddel. In de Joodse codex,
de Shul’chan Aruch, wordt deze taal als zodanig wezenlijke Q’dusha [heiligheid]
toegekend, omdat het Hebreeuws het medium van informatieoverdracht tussen G'd
en mens is geworden en volgens de Midrash deze functie al direct na de hayrb Beri'a [Schepping] vervulde. Adonai schiep alles door Zijn Woord en Hij sprak daarbij
Hebreeuws! Vervolgens gaf Hij Adam deze taal als communicatiemiddel en ik zou geen enkele
reden kunnen bedenken waarom de Schepper van de hemel en de aarde aan Zijn
schepselen in de hemel, de engelen, een andere taal zou hebben gegeven dan aan
Zijn schepselen op aarde, de mensen. Wij komen in de Tora immers talrijke
teksten tegen, waarin de engelen als boodschappers van de Allerhoogste geen
enkel probleem hadden om met de mensen te communiceren. Om terug te gaan naar
ons onderwerp: We kunnen uit 1 Kor 13:1 echt niet afleiden dat de engelen een
eigen taal zouden spreken die op aarde nergens gesproken zou worden. Verder
kunnen wij uit dit vers evenmin afleiden dat Sha’ul alle menselijke talen gesproken zou hebben! Hij begint dit
hoofdstuk namelijk met de woorden: “Al ware het…”, ofwel: “Al zou het zo
zijn…”, dus dat betekent dat het niet zo is. Sha’ul neemt hier dus ondubbelzinnig een hypothetisch geval aan,
waarmee hij de Korinthiërs wil uitleggen wat gebrek aan liefde betekent. Maar
als Sha’ul in
vers 2 niet alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en ook niet al
het geloof had, zodat hij bergen kon verzetten, dan is ook het zinnetje in vers
1 een dergelijke hypothese. Daarom kan uit zijn woorden in geen geval afgeleid
worden dat het "spreken in tongen" hetzelfde zou betekenen als
"talen van engelen".
8 De liefde vergaat nimmermeer;
maar profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen [talen], zij zullen
verstommen; kennis, zij zal afgedaan hebben. 9 Want onvolkomen is ons
kennen en onvolkomen ons profeteren. 10 Doch, als het volmaakte komt,
zal het onvolkomene afgedaan hebben.
In dit tekstgedeelte kondigde Sha’ul [Paulus] aan dat de talen eens zullen verstommen. In tegenstelling tot geloof, hoop en liefde die blijvend zijn, zal het “spreken in talen” ophouden. Hij benadrukte dit omdat de Korinthiërs moesten leren beseffen dat juist de gave die zij zo spectaculair vonden, zowel van beperkte als van tijdelijke betekenis was. De G’ddelijke liefde echter blijft eeuwig, want zij is G’ds wezen. Maar er komt een ogenblik, waarin er geen profetie en geen kennis, waarnaar men zoekt, meer nodig is; namelijk dan, wanneer het volkomene, het volmaakte, zal zijn gekomen. Met de komst van het volmaakte wordt volgens velen de wederkomst van Yeshua bedoeld en dat lijkt mij niet meer dan logisch, maar anderen zien daarin de voltooiing van de Bijbel, het volmaakte Woord van G’d. In de eerste tijd na het ontstaan van de messiasbelijdende gemeente was B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] nog niet af en algemeen verspreid. Adonai ving dit onder meer op door middel van directe boodschappen via profetie en vertaalde glossolalie, maar toen B’rit haChadasha af was en algemeen verspreid en aanvaard, was deze bediening in principe niet meer nodig, want de Bijbel was nu compleet. De tekengaven werden door Adonai voornamelijk gebruikt in Zijn handelen met Zijn volk Israël! Wij hebben in de voorgaande drie afleveringen van deze bijbelstudie kunnen constateren dat iedere keer wanneer er sprake was van tekenen waaronder het spreken in talen, de Eeuwige daarmee ‘ongelovige’ Joden van bepaalde heilsfeiten wilde overtuigen. We hebben gezien dat de apostolische tekengaven grotendeels waren verdwenen toen B’rit haChadasha en met name toen het boek Handelingen gereed was gekomen. Aan het begin van de messiasbelijdende gemeente kwamen deze tekenen dus nog wel degelijk voor, maar zij geschiedden met name door de hand van de Sh’lichim [apostelen], als teken voor ongelovige Joden en niet op grote schaal bij iedereen die vervuld was met G’ds Geest. De laatst genoemde wonderen in B’rit haChadasha, de genezingen op het eiland Malta (Hnd 28:7-10), gebeurden rond het jaar 62 na de gewone tijdrekening. Vanaf 62 tot 96, toen Yochanan [Johannes] het boek ]vyzx Chizayon [Openbaring] afsloot, werd er geen melding meer gemaakt van wonderen. Alleen in de 1e brief aan de Korinthiërs worden gaven van krachten, tekenen zoals glossolalie en genezingen nog genoemd. In twee latere brieven, namelijk die aan de Efeziërs en de Romeinen, worden de gaven van Ruach haQodesh [de Heilige Geest] door Sha’ul weliswaar uitvoerig behandeld, maar er wordt met geen woord gesproken over de gaven van krachten, tekenen en wonderen omdat zij namelijk reeds in die tijd werden gezien als iets dat tot het verleden behoorde. In ,yrbi Ivrim [Hebreeën] 2:4 werd ten aanzien van de messiaanse zending terugblikkend door de schrijver gezegd: “…terwijl G’d meegetuigde door tekenen en wonderen, velerlei krachtsopenbaringen en bedelingen des Heiligen Geestes naar Zijn wil!” (Leidse Vertaling). – “…en G’d heeft medegetuigenis gegeven door tekenen en wonderen en menigerlei krachten, en met uitdelingen des Heiligen Geestes naar Zijnen wil.” (Luther-vertaling). “…en G’d bevestigde hun woorden nog door tekenen, wonderen en allerlei machtige daden, en deelde de Heilige Geest uit zoals Hij dat wilde!” (Groot Nieuws Vertaling). In tegenstelling tot de NBG spreken al deze vertalingen overeenkomstig de Griekse grondtekst in de verleden tijd. In 2 Kor 12:12 daarentegen houdt ook de NBG zich keurig aan de verleden tijd: “De tekenen van een apostel zijn bij u verricht met alle volharding, door tekenen, wonderen en krachten”. - Zijn verricht en niet: worden verricht. Ook in de Statenvertaling lezen wij: “De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met tekenen, en wonderen, en krachten”. - Zijn betoond en niet: worden betoond. De Luther-vertaling zegt hetzelfde: “Want de merktekenen eens apostels zijn immers onder u betoond in alle geduld, met tekenen en wonderen en krachten.” - Ook weer: Zijn betoond! De Leidsche vertaling is zelfs nog duidelijker: “Alles toch waaraan een apostel herkend wordt is onder u met groot geduld volbracht, met wonderen, tekenen en krachten.” - Is volbracht en niet: wordt nog steeds gedaan. De Groot Nieuws Vertaling spreekt eveneens nadrukkelijk in de verleden tijd: “Wat kenmerkend is voor een apostel, was aanwezig: de volharding waarmee ik alles verduurde, de wonderen en machtige daden die onder u werden verricht.” - Was aanwezig en niet: zijn aanwezig! Werden verricht en niet: worden verricht! Kan het nog duidelijker? De originele Griekse tekst luidt als volgt:
ta men shmeia tou
apostolou kateirgasqh en umin en pash upomonh en shmeioiV kai
terasin kai dunamesin
“Ta men sēmeia tou apostolou kat-eirgastē en humin en pasēi hupomonēi en sēmeios kai terasin kai
dunamesin.”
Het Griekse kateirgasqh kat-eirgastē betekent letterlijk “zijn bewerkt” en dat geeft dus een voltooide vorm aan. Als de schrijver van deze tekst in het begin van het zestigste jaar van de eerste eeuw reeds terugblikkend over tekenen, wonderen, velerlei krachtsopenbaringen en gaven van de Heilige Geest spreekt, dan laat dit mijns inziens de conclusie toe, dat deze buitengewone dingen, waartoe immers ook het spreken in talen behoorde, ook toen al grotendeels tot het verleden behoorden en daarom moeten wij alle huidige wonderen en tekenen bijzonder waakzaam bejegenen. Ik zeg niet dat de Eeuwige heden ten dage geen wonderen en tekenen meer doet, want ik geloof dat dit incidenteel in specifieke situaties nog steeds gebeurt, maar wij dienen alles te toetsen aan het Woord. Het gezag en de boodschap van de Sh’lichim [apostelen] en G’ds Woord hadden geen verdere bevestiging meer nodig, want voor het einde van de eerste eeuw was B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] geschreven en dit werd in alle gemeenten gelezen. De openbarende gaven waren echter grotendeels verdwenen, want ze dienden in principe geen enkel doel meer. Adonai heeft de wonderen en tekenen gebruikt om Zijn Woord te bekrachtigen en Zijn gezondenen te legitimeren. Nu wij dat volledige Woord hebben, zijn deze wonderen, tekenen en krachten eigenlijk niet meer nodig behalve op het zendingsveld! Alles wat een gelovige moet weten over G’ds leefregels (de Tora) alsook over de weg tot behoudenis (het offer van Yeshua) staat in de Bijbel. Dit boek, dat inmiddels vertaald is in praktisch alle op dit moment bekende talen in de wereld, bevat alle informatie over hoe wij moeten leven in overeenstemming met de wil van onze Vader die in de hemelen is (Mt 7:21). Uiteraard hebben we nog wel de leiding van Ruach haQodesh [de Heilige Geest] nodig, die ons wijsheid en inzicht geeft om G’ds Woord in de volle omvang te kunnen begrijpen, maar er zijn geen nieuwe openbaringen meer nodig, want alle informatie over de volle waarheid is nu beschikbaar in de complete Bijbel, bestaande uit TeNaCH (Oude Testament) en B’rit haChadasha [Nieuwe Testament]. De door charismatische christenen veelgeciteerde belofte uit Jes 42:9 en 48:6 dat G’d nieuwe dingen zal doen slaat op de komst en het verlossingswerk van de Mashiach, maar zeker niet op dierlijk gedrag en occulte manifestaties zoals het achterover vallen van honderden tegelijk door het blazen in de microfoon.
In 1 Korinthiërs 14 gaat Sha’ul [Paulus] dan in bijzonderheden op het spreken in talen in. Uit dit hoofdstuk krijgen we de indruk, dat de Korinthiërs over de genadegaven die de Eeuwige hun had gegeven, heel erg opgetogen waren. Bijzonder sterk trad dit bij het spreken in talen naar voren. Sha’ul moest hen daarom dan ook ernstig terechtwijzen. Dit hoofdstuk is dus beslist geen aanbeveling van het zogenaamde "spreken in tongen" zoals dat tegenwoordig in charismatische kringen in praktijk wordt gebracht, maar een ernstige vermaning om de genadegaven die de Eeuwige aan Zijn gemeente gegeven heeft, op de juiste manier te gebruiken!
1 Jaagt de liefde na en streeft
naar de gaven des Geestes, doch vooral naar het profeteren. 2 Want wie
in een tong [vreemde taal] spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot G’d, want
niemand verstaat het; door de Geest spreekt hij geheimenissen. 3 Maar
wie profeteert, spreekt voor de mensen stichtend, vermanend en bemoedigend. 4
Wie in een tong [vreemde taal] spreekt, sticht zichzelf, maar wie profeteert,
sticht de gemeente.
Hoewel Sha’ul in vers 22 van
dit hoofdstuk duidelijk heeft geschreven, dat de talengave tot een teken voor
de ongelovigen werd gegeven en niet bedoeld was voor de gelovigen in de
samenkomst, hebben velen zich helaas toch vastgebeten in de verzen 2-4 en menen
op grond van onzorgvuldig lezen, dat de glossolalie bedoeld zou zijn als een
soort rode telefoon om rechtstreeks tot G’d te kunnen bidden, geheimenissen met
Hem te delen en ook om zichzelf te stichten. Maar wordt in deze teksten gezegd,
dat dit het doel van de talengave is? Ik dacht het niet! Dat zou elkaar op
meerdere punten tegenspreken. Ten eerste: Het doel is dat het een teken moest
zijn voor ongelovigen. Daar laat Sha’ul geen
twijfel over bestaan. Kan dan tegelijkertijd ook het doel zijn zichzelf te
stichten? Volgens mij niet! Ten tweede wil ik u vragen: waartoe heeft Adonai eigenlijk alle gaven gegeven? Kijk maar naar
het beeld van het lichaam dat we de vorige keer hebben behandeld: Waartoe kan
de voet lopen? Is dat ten behoeve van die voet zelf of ten behoeve van het hele
lichaam? Natuurlijk het laatste! Waartoe kan mijn oog zien? Is dat tot nut van
het oog zelf of tot nut van het hele lichaam? Uiteraard het laatste. Ziet u,
hetzelfde geldt dus voor alle leden van een lichaam en zo is het ook met het
lichaam van Yeshua, de gemeente. Adonai geeft iemand een gave tot nut en welzijn van
de hele gemeente, maar niet tot nut van zichzelf. Dat zou eigenbelang en zelfs
ook hoogmoed in de hand werken, want een gave om zichzelf te stichten is in
strijd met het Bijbelse principe en kan dus helemaal niet! Dit principe legt Sha’ul duidelijk uit in zijn brief aan de gelovigen
te Philippi: “Indien er dan enig beroep op
u gedaan mag worden in de Mashiach, indien er
enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes,
indien er enige ontferming en barmhartigheid is, maakt dan mijn blijdschap
volkomen door eensgezind te zijn, een in liefdebetoon, een van ziel, een in
streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een
de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen
belang, maar ieder lette ook op dat van anderen” (Filippenzen 2:1-4). Ten
derde: Zou men door middel van glossolalie beter tot de Eeuwige kunnen bidden
of Hem door onverstaanbare klanken beter kunnen prijzen dan in de eigen
vertrouwde taal? Dat lijkt mij niet echt logisch en is derhalve ondenkbaar.
Kortom, Adonai geeft beslist geen gave om
krachtiger te kunnen bidden of om Hem beter te kunnen prijzen. Hij geeft je
gaven tot opbouw en nut van de gemeente en niet om jezelf op te stichten. Daarom vindt Sha’ul dit belangrijk genoeg om er drie hoofdstukken aan te
besteden om de Korinthiërs te laten beseffen dat ieder gemeentelid zijn of haar
gave dient te gebruiken voor de zending en om de gemeente op te bouwen. Maar
omdat er toen ook al velen waren die zichzelf zo heerlijk opbouwden door te
pronken met de hun toebedeelde geestesgaven en daar zo van genoten, schreef
hij: “Als je in de samenkomst in talen spreekt die niemand verstaat, dan
vertel je alleen maar geheimenissen die slechts G’d kan verstaan, maar daar
hebben je broeders en zusters in de gemeente er helemaal niets aan!” Daarom
is hij ook zo kritisch over het uitoefenen van de glossolalie binnen de
gemeente tijdens de samenkomst. Want wie daar in een vreemde taal spreekt,
sticht alleen zichzelf, maar een ander heeft er niets aan en dat is toch wel
het toppunt van egoïsme in de ogen van Sha’ul. Daarom begon hij dit hoofdstuk ook met de woorden: “Jaagt
de liefde na!” - We zullen vers 2 nu in drieën splitsen, de aparte
gedeeltes één voor één lezen en nauwkeurig bestuderen:
2a Want wie in een tong [vreemde
taal] spreekt,
spreekt niet tot mensen, maar tot
G’d
Zoals ik reeds meerdere keren heb aangehaald, heeft de
bijbelse glossolalie twee doelen: enerzijds is het een teken voor de ongelovige
Joden, dat degenen die deze gave bezitten door Adonai
zelf gezonden zijn, en anderzijds is deze gave een prachtig hulpmiddel voor het
uitvoeren van de zendingsopdracht onder volken wiens taal men niet beheerst. Om
deze reden is het antwoord op de vraag tot wie men in nieuwe talen spreekt
afhankelijk van het doel. Op het zendingsveld onder heidense volkeren lijkt het
wel duidelijk dat men gebruik maakt van deze gave om aan hen het evangelie te
verkondigen, maar bij het gebruik als teken voor de ongelovige Joden spreekt
men op de eerste plaats tot Adonai, want in
Handelingen 2:11 zeiden de Joodse pelgrims, die uit de hele wereld naar
Jeruzalem waren gekomen: “Wij horen hen in onze eigen taal van de grote
daden G’ds spreken!” Hier gebruikten de Sh’lichim
[apostelen] de talengave duidelijk voor de lofprijs, want zij loofden de
Eeuwige en maakten Hem groot! Zo kunnen wij dan ook 1 Korinthiërs 14:2 zien,
namelijk als lofprijs: “Want wie in een (vreemde) taal spreekt, spreekt niet
tot mensen, maar tot G’d, want niemand verstaat het!” Het zou best nog wel
eens kunnen dat Adonai in Korinthe juist het
Hebreeuws als talengave gebruikte als teken voor de Griekstalige Joden, die het
weliswaar niet verstonden, maar wel degelijk als de heilige taal herkenden. Het
moet dan ook ronduit schokkend geweest zijn voor deze orthodoxe Joden om
onbesneden heidenen in de heilige taal te horen spreken die zij zelf niet eens
beheersten en hen daardoor tot naijver opwekten (Rom 11:11).
2b want niemand verstaat het
Als Sha’ul schrijft: “wie in
een vreemde taal spreekt, spreekt tot G’d, want niemand verstaat het”, dan zegt
hij daarmee niet, dat de talengave bedoeld zou zijn om daarmee rechtstreeks G’d
te spreken en niet tot mensen. Zo wordt het helaas maar al te vaak opgevat en
er een hele theologie erom heen ontwikkeld, maar deze passage wil daarmee
slechts zeggen, dat het magere resultaat daarvan is, dat slechts de Eeuwige het
kan verstaan en dat vind Sha’ul bijzonder jammer! En vanwege de woorden “niemand
verstaat het” denken velen bij het zogenaamde “spreken in tongen” aan
onverstaanbare klanken die worden uitgesproken in een extatische toestand, die zij
“dronken in de Geest” noemen. Men realiseert zich daarbij meestal niet dat dit
echter geen beschrijving is van de oorspronkelijke bedoeling maar juist van het
misbruik onder de Korinthiërs! Sha’ul legde daarom in dit hoofdstuk uit dat de gave van het
spreken in vreemde talen in de samenkomst slechts nut heeft in een context
waarin deze uitspraken ook daadwerkelijk begrepen werden door middel van
vertaling en uitleg.
2c door de Geest spreekt hij
geheimenissen
Let op: aan de woorden "door de Geest spreekt hij
geheimenissen" gaat, zoals wij hierboven zagen, vooraf: "want
niemand verstaat het". Er werden in de vreemde talen echt geen geheime
boodschappen of verborgenheden verkondigd, maar het is nogal logisch, dat we
altijd wel geheimzinnig overkomen, als wij onverstaanbaar praten, ook al zouden
we de meest simpele dingen vertellen. Bovendien, welk nut zou het spreken van
geheimenissen hebben voor de de Eeuwige die alwetend is en voor wie geen
geheimen bestaan? Daarom heeft Sha’ul de verzen
2 t/m 4 beslist niet geschreven om de gelovigen in Korinthe aan te moedigen om
daar vooral mee door te gaan, maar veeleer om hen te doen beseffen, dat het
ongelimiteerde spreken in talen de gemeente niet stichtte en dat zij in plaats
daarvan beter konden streven naar het spreken van profetie.
3 Maar wie profeteert, spreekt
voor de mensen stichtend, vermanend en bemoedigend.
Het profeteren genoot duidelijk de
voorkeur van Sha’ul, want de door Ruach
haQodesh [de Heilige Geest] geïnspireerde
woorden schonken de broeders en zusters bemoediging, troost en ook advies en
zelfs waarschuwingen of vermaningen in persoonlijke situaties die buiten Adonai om geen mens wist.
Ook ongelovige bezoekers konden hierdoor aangeraakt worden omdat juist het feit dat niemand anders het kon
weten een bewijs was voor G’ds aanwezigheid! Door deze gave kunnen we elkaar
als gelovigen goed opbouwen, want zij is in tegenstelling tot de glossolalie
verstaanbaar, maar wat niet begrepen kan worden, kan ook niet stichten. Er kan
geen enkel voordeel getrokken worden van de meest leerzame en belangrijke
mededeling of toespraak als deze in een onverstaanbare taal gehouden wordt.
Maar wie profeteert, spreekt daarentegen ten nutte van zijn toehoorders en
daarom bouwt deze gave de gemeente op.
4 Wie in een tong [vreemde taal]
spreekt, sticht zichzelf,
maar wie profeteert, sticht de
gemeente.
De gangbare charismatische uitleg
van deze tekst houdt in dat de zogenaamde tongentaal een privé-gebedstaal zou
zijn, die de gelovige sterkt en sticht. Het is echter van het grootste belang
om er bij stil te staan dat dit hele hoofdstuk niet geschreven is om een
definitie te geven wat het spreken in vreemde talen wel of niet is, maar juist
om de Korinthiërs terecht te wijzen voor hun misbruik van deze gave. Zij
gebruikten de talengave namelijk niet op het zendingsveld waarvoor het bedoeld
is, maar in de samenkomst om zichzelf daarmee in het centrum te stellen en de
medegelovigen te laten zien hoe geestelijk ze wel waren. Sha’ul bestrafte hen en
vertelde hen dat dit niet tot opbouw is voor anderen binnen de gemeente. De
zinsnede: “Wie in een vreemde taal spreekt, sticht zichzelf” gaf
derhalve de egoïstische houding aan van het verkeerd gebruik van de talengave
in de gemeente en was beslist geen bewijs dat dit juist de bedoeling geweest
zou zijn. Helaas heeft men dat blijkbaar nooit goed begrepen, want ook nu,
bijna 2000 jaar later, gaat men daar nog steeds mee door…
5 Ik wilde wel, dat gij allen in
tongen [vreemde talen] spraakt, maar liever nog, dat gij profeteerdet. Wie
profeteert, is meer dan wie in tongen [vreemde talen] spreekt, tenzij hij het
ook uitlegt, zodat de gemeente stichting ontvangt.
Met het zinnetje: “Ik wilde wel
dat gij allen in vreemde talen spraakt” gaf Sha’ul aan dat hij het liefst zou willen zien dat iedereen het
zendingspad op zou gaan en op de eerste plaats de ongelovige Joden zou bereiken
met de B’sora Tova [de Blijde Boodschap], maar binnen de gemeente in de kring
van de gelovigen is het profeteren of het uitleggen van het in talen gesprokene
meer op zijn plaats omdat iedereen het kan begrijpen en erdoor gesticht wordt.
6 En nu, broeders, als ik tot u
kom en spreek in tongen [vreemde talen], wat nut zal ik u brengen, als ik mij
niet tot u richt, of met een openbaring, of met kennis, of met profetie, of met
onderricht?
Sha’ul gaf hier een voorbeeld van zichzelf om het te
verduidelijken wat hij bedoelde. Hij wilde de Korinthiërs laten inzien dat zijn
bezoek aan hun gemeente weinig nut zou hebben als hij de talengave zou
toepassen op dezelfde manier zoals zij dat deden. Zelfs hij als apostel, met al
zijn bekwaamheid en deskundigheid, zou hen niet kunnen stichten als hij niet op
een normale begrijpelijke wijze tot hen zou spreken. Nieuwe openbaringen,
duidelijke uitlegging van teksten en zelfs de leerrijkste verhandelingen zouden
onvruchtbaar zijn in een taal, die niet verstaan werd door de toehoorders.
Openbaring wil zeggen dat Adonai bekend maakt wat tot nog toe onbekend is.
Profetie is niet zozeer een voorspelling van de toekomst, maar veeleer een
belangrijke mededeling van de Eeuwige ten opzichte van de hele gemeenschap of
van individuele personen. Dat kan een vermaning inhouden, maar ook een
bemoediging. Kennis is de inhoud van wat doorgegeven moet worden als
onderricht. In elk geval geeft de Eeuwige dit alles om de gemeente toe te
rusten voor haar taak in deze wereld en is daarom ook uitermate belangrijk. Het
zou daarom echt weinig zinvol geweest zijn als Sha’ul helemaal naar Griekenland was gekomen om de talengave toe
te passen in de gemeentesamenkomst in plaats van deze vier geestesgaven die zo
typerend waren voor zijn bediening.
7 Hoe toch zal men zelfs bij
onbezielde dingen, die geluid geven, fluit of citer, als zij geen verschil in
toon doen horen, te weten komen wat op de fluit of de citer gespeeld wordt?
In deze verzen gebruikte Sha’ul als
vergelijkingsmateriaal een fluit, een harp, die aldoor op dezelfde toon een
eind weg spelen. Welk nut zou dat kunnen hebben voor de dansers? Hoe konden zij
er dan hun passen naar regelen als er geen onderscheid van klank was? En zo
zijn onverstaanbare talen dus gelijk aan muziekinstrumenten zonder onderscheid
van geluid zoals een fluit met slechts één klep of een harp met niet meer dan
één snaar.
8 Immers, indien de bazuin een
onduidelijk geluid geeft, wie zal zich gereed maken tot de strijd? 9
Evenzo, indien gij met uw tong [door uw taal] geen verstaanbare volzin spreekt, hoe zal men het gesprokene begrijpen? Gij
zoudt immers in de lucht spreken?
In deze vergelijking zouden de
Joden ongetwijfeld een Shofar [ramshoorn] herkend hebben en de heidenen een trompet van
het Romeinse leger. In beide gevallen werd het schallende geluid van deze
blaasinstrumenten gebruikt om boodschappen door te geven. Elk signaal had zijn eigen betekenis. Als de Shofar of de trompet een onduidelijk geluid zou voortbrengen, waardoor de soldaten niet konden begrijpen of zij nu
moesten aanvallen of juist terugtrekken, dan zou dat rampzalige gevolgen gehad hebben
voor het verloop van de oorlog. En daarom is ook het toepassen van de talengave
in een christelijke samenkomst even doelloos als het onzekere geluid van een
bazuin op het slagveld.
10 Er zijn wie weet hoe vele
soorten van klanken in de wereld en niets is zonder zijn eigen klank. 11
Indien ik nu de betekenis van een klank niet ken, zal ik voor iemand, die
spreekt een vreemde zijn en de spreker zal voor mij een vreemde zijn.
Hier vergelijkt Sha’ul de glossolalie met het gebrabbel van barbaren. Men maakte toen in de Romeinse en Griekse wereld onderscheid tussen beschaafde en primitieve talen. Sommige talen zijn in onze oren slechts klanken. Denk maar aan het Xhosa in Zuid-Afrika, want wie van u heeft nog nooit de bekende “Click-song” van Miriam Makeba gehoord? Maar toch heeft elk woord van de vele talen in deze wereld zijn eigen betekenis en geeft de mogelijkheid om zich ermee uit te drukken. Maar welke eigen betekenis de woorden van enige taal op zichzelf ook mogen hebben zijn ze niets meer dan gebrabbel voor anderstaligen die ze niet kunnen verstaan. In dit geval zijn zowel de sprekers alsook de toehoorders barbaren voor elkaar, want zij spreken en horen niets dan onverstaanbare klanken. Dat noemde men barbaars. De beschaafde Romeinse dichter Ovidius, die door keizer Augustus in het jaar 8 A.D. verbannen werd naar de stad Tomis, een uithoek van het Romeinse Rijk aan de westkust van de Zwarte Zee in de provincie Pontus, schreef de bekende woorden: “Barbarus hic ego sum, qui non intellegor ulli [Ik ben hier een barbaar, omdat niemand mij kan verstaan]”. In de gemeente een onbekende taal spreken zonder vertolking is barbaars; want men gedraagt zich dan als een barbaar en daarom is dit bovenmate nutteloos.
12 Zo moet ook gij, omdat gij
naar geestelijke gaven streeft, trachten uit te munten tot stichting van de
gemeente.
Opnieuw de oproep om met de
geestelijke gaven die de Eeuwige je geeft niet jezelf, maar de gemeente te
stichten. Je eigen geestelijke groei wordt niet bewerkstelligd door in “tongen”
te spreken, maar door de geschriften nauwkeurig te bestuderen en kennis te
verwerven.
13 Derhalve moet hij, die in een
tong [vreemde taal] spreekt, bidden, dat hij het moge uitleggen.
Sha’ul adviseert hier degenen die de talengave hebben ontvangen
om ervoor te bidden dat zij het ook kunnen uitleggen, want met het woordje
vertolking, dat we reeds in hoofdstuk 12 tegenkwamen, wordt niet alleen maar simpelweg vertalen mee
bedoeld. Als het alleen maar zou gaan om het vertalen van datgene wat door de
gave van de Ruach [Geest] gezegd wordt in de vreemde talen die de spreker zelf nooit
heeft geleerd, dan is daarvoor geen andere geestesgave nodig omdat ook een
taalkundige dit zou kunnen doen. Maar wij moeten niet vergeten dat het spreken
in talen met de juiste uitlegging hetzelfde is als profeteren, voorzover het
geen lofprijs is! De boodschap die in Korinthe in vreemde talen werd
verkondigd, moest dus niet alleen vertaald, maar ook uitgelegd worden, want het
woord van G’d, de Bijbel, was immers nog niet voleindigd, zodat toentertijd nog
nieuwe waarheden geopenbaard werden. Als dat door het spreken in vreemde talen
gebeurde, dan moest het zowel vertaald alsook uitgelegd worden en daartoe
diende derhalve de genadegave van de uitlegging van de talen. Het is bovendien
erg moeilijk om de concentratie vast te houden als men tegelijkertijd spreekt
en iedere zin vertaalt. Nog een reden dus voor het gebed om G’ddelijke
bijstand. Dit gebed vraagt echter om een actieve gebedshouding en dat komt
derhalve niet overeen met een toestand van extase, waarin tegenwoordig velen
verkeren die “in tongen spreken”.
14 Want indien ik bid in een tong
[vreemde taal], bidt mijn geest wel, maar mijn verstand blijft onvruchtbaar. 15a
Hoe staat het dan? Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn
verstand;
Veel charismatische leiders
betrekken dit vers op het “bidden in de Geest” dat wij in hdvhy Yehuda [Judas] 1:20
tegenkomen: “Maar geliefden, bouwt gij uzelf op uw allerheiligst geloof,
biddende in de Heilige Geest” en zeggen daarmee dan ook dat het “bidden in
de Geest” verwijst naar het “spreken in tongen”. Dit is echter een groot
misverstand, want terwijl Judas 1:20 het heeft over het “bidden in de
Heilige Geest” is er in 1 Kor 14:14 sprake van “bidden met mijn geest”,
dus niet “in” maar “met” en niet G’ds Geest, maar mijn geest. Hier worden het bidden met het verstand en het
bidden met de geest los van elkaar gekoppeld. Het normale gebed gebeurt met de
geest en met het verstand. Als er door middel van glossolalie wordt gebeden
valt het verstand weg. Degene die in vreemde talen bidt weet immers niet wat
hij bidt. Nogmaals: let dus wel dat in deze tekst staat "mijn
geest". Het gaat hier niet om de Heilige Geest maar om de eigen menselijke
geest. Het “bidden in de Geest” daarentegen betekent bidden in
overeenstemming met de leiding van de Heilige Geest. De Heilige Geest zal ons
leiden in onze gebeden en wanneer wij die leiding volgen, bidden we in Zijn
Geest, dus zoals Hij dat van ons verwacht. Judas 1:20 heeft dus helemaal niets
van doen met het bidden in tongen. Maar ook 1 Kor 14:14 zelf is eigenlijk
helemaal geen aanmoediging om in tongen te bidden. Integendeel! Sha’ul keurde het juist af
en schreef nadrukkelijk dat zijn verstand onvruchtbaar zou blijven indien hij
in tongen zou bidden. Vervolgens liet hij ons weten dat het daarentegen de
bedoeling is om zowel met de geest alsook met het verstand te bidden. Je moet
immers weten wat je bidt! Aan de hand van zijn eigen voorbeeld schreef Sha’ul dat hij er de
voorkeur aan gaf om te spreken en te bidden met zijn volle verstand. Hij
verweet de Korinthiërs dat zij in de samenkomst hun verstand op nul gingen
zetten en gebruikte hiervoor het Griekse woord nouV nous, wat te maken heeft met het verstand en het
tegenovergestelde is van domheid. Sha’ul wilde daarmee niet zeggen dat de Korinthische sprekers hun
eigen uitingen niet konden verstaan, maar veeleer dat ze met domheid, zonder
verstand, spraken, want zoals gezegd geeft de ontkenning van nouV nous de domheid te kennen. Als hij bedoeld zou hebben dat ze er
maar wat op los hadden gebrabbeld, dan zou Sha’ul namelijk in dit verband gebruik gemaakt hebben van
werkwoorden als akouw akouo [verstaan] zoals in
vers 2, ginwskw ginosko [kennen] in vers 7
en 9 en eida eida [weten] in vers 11
en 16 van ditzelfde hoofdstuk. Deze drie werkwoorden zijn uitermate geschikt om
een gemis aan begrip of aan het kennen van een taal uit te drukken. Sha’ul zou ze dus zeker
gebruikt hebben als hij bedoeld zou hebben dat degene die de talengave verkeerd
toepaste, een brabbeltaal had gesproken. Hij koos dus erg fijntjes zijn woorden
op een manier om nuances aan te brengen. Concluderend, de tekst van de verzen
14 & 15 toont aan dat deze talen weliswaar werden uitgeoefend met domheid,
maar niet zonder de eigen uitingen te verstaan, zoals in het geval van
extatisch gebrabbel.
15b ik zal lofzingen met mijn
geest, maar ook lofzingen met mijn verstand.
In bovenstaande tekst staat
duidelijk lofzingen met mijn geest. Hier geldt dus hetzelfde als in het
vers hierboven: "mijn geest." Het gaat hier wederom niet om de
Heilige Geest maar om de eigen menselijke geest. Het zogenaamde zingen in de
Geest is dus een volledig onbijbels gebruik, want het komt nergens in de
bijbel voor. Dat is op zich al reden genoeg om het af te wijzen, maar zelfs al
zou het bijbels verantwoord zijn (wat het dus niet is), dan nog zouden sowieso
ook voor het “zingen in tongen” uiteraard de bijbelse regels voor het in het
openbaar “spreken in tongen” gelden zoals vermeld in de verzen 27-35. Maar ook
in dit geval worden deze beperkingen helaas over het algemeen grotendeels
genegeerd, want het zijn heel vaak juist de zusters die het ‘op hun hart
krijgen’ om te zingen in tongen. Dat doen ze het liefst niet solo maar meestal
met meer dan drie tegelijk en zingend vertolken heb ik nooit meegemaakt.
16 Want anders, indien gij een
zegen uitspreekt met uw geest, hoe zal iemand, die als toehoorder aanwezig is,
op uw dankzegging zijn amen spreken? Hij weet immers niet, wat gij zegt. 17
Want gij dankt wel goed, doch de ander wordt er niet door gesticht.
Terwijl het wonder tijdens Shavuot [Pinksteren]
te Jeruzalem in allerlei heidense, niet-joodse talen plaats vond, zou het best
nog wel eens kunnen dat de Eeuwige in Korinthe juist het Hebreeuws als
talengave gebruikt als teken voor de Griekstalige Joden, die het weliswaar niet
verstaan, maar wel als de heilige taal herkennen. In dat geval is een aan Adonai gerichte lofprijs in het Hebreeuws zeer
legitiem en dat zou een verklaring kunnen zijn voor vers 16: “Indien gij een
B’racha [zegen] uitspreekt met uw geest, hoe
zal iemand, die als toehoorder aanwezig is, op uw dankzegging zijn amen
spreken? Hij weet immers niet wat gij zegt!” - Daarom dient ook een B’racha [zegen] vertaald te worden voor degenen die
deze taal niet machtig zijn. Het is al een paar keer
gezegd: het doel en het nut van het spreken in vreemde talen is: “Tot
welzijn van allen!” (1 Kor 12:7). Wie in een taal spreekt die de
toehoorders verstaan (b.v. in de zending) doet dit tot welzijn van allen, maar
wie in een taal spreekt die niemand van de toehoorders verstaat en ook niet
vertaalt of laat vertalen, die spreekt niet ten behoeve van anderen maar ten behoeve van zichzelf om te laten zien hoe
geestelijk hij of zij is.
18 Ik dank G’d, dat ik meer dan
gij allen in tongen [vreemde talen] spreek
Sha’ul schrijft in vers 18 dat hij meer in vreemde talen sprak dan
alle leden van de gemeente te Korinthe bij elkaar. Sommige theologen menen
hierin het bewijs te zien dat hij een groot aanhanger van de glossolalie
geweest moest zijn en deze ook meer dan anderen uitoefende. Maar als de
glossolalie echt een brabbeltaal zou zijn, hoe kon Sha’ul dan weten dat hij
deze vaker had gesproken dan al die andere gelovigen te Korinthe? Hij was er
toch niet altijd bij? De enige mogelijkheid is dat deze talen normále,
bestaande vreemde talen waren en geen extatisch gebrabbel en dat lijkt mij ook
de meest logische verklaring! In deze gemeente zal er wel niemand geweest zijn
die zoveel gereisd heeft als Sha’ul en ook zo begaafd was met talen, want als Romeinse
staatsburger sprak hij uiteraard Grieks en Latijn, als farizeese Jood sprak hij
Hebreeuws en Aramees, en naar alle waarschijnlijkheid sprak hij ook Arabisch en
en talrijke dialecten uit Klein-Azië en het Midden-Oosten). Wij weten uiteraard
dat Sha’ul een
geestvervuld man was en zeker ook over de talengave beschikte, maar ook zonder
deze gave had Sh’aul evengoed de mogelijkheid gehad om meer vreemde talen te
leren dan al de leden van de gemeente te Korinthe en kon daarom ook met
zekerheid zeggen dat hij meer talen sprak dan zij allen bij elkaar. Kortom, hij
had het hier dus echt wel over normale talen en geen onsamenhangende klanken en
dat is misschien ook één van de redenen geweest, dat hij door de Eeuwige was
geroepen om aan vele volken het Evangelie te verkondigen.
19 maar in de gemeente wil ik
liever vijf woorden met mijn verstand spreken, om ook anderen te onderwijzen,
dan duizenden woorden in een tong [vreemde taal].
Omdat Sha’ul hier schrijft
dat de “duizenden woorden in een vreemde taal” zonder verstand gesproken
zouden worden, suggereerd deze passage dat daarmee geen normale taal zou zijn
bedoeld maar slechts onsamenhangende klanken. Daarom is het gebruik van de term
logoV
lōgos [rede, woord, volzin] in dit vers van groot
belang, want de oude Grieken hebben deze term steeds gebruikt voor een
duidelijke, verstandige uitdrukking, maar nooit voor een wartaal! Als Sha’ul dat laatste bedoeld zou hebben, dan zou hij
namelijk “klanken” gezegd hebben en niet “woorden”. Wij kunnen hieruit dus
begrijpen, dat de "duizenden woorden" (in het Grieks staat er:
muriouV logouV
murious logous [ontelbaar veel woorden] waar Sha’ul
het over had gewone zinvolle uitspraken of toespraken zouden zijn geweest,
alhoewel ze in een onbekende taal zouden uitgesproken worden. Want als logoV lōgos op zichzelf steeds een woord met een duidelijke
inhoud aanduidt, dan kan men uit dit vers niet afleiden, dat er ook een logoV lōgos zou kunnen bestaan, die niet betekenisvol zou
zijn. Dat zou in strijd zijn met de diepere betekenis van dit woord, waarvan
overigens ook het ons bekende woord “logica” is afgeleid en zodoende is het
nogal “logisch”, dat een "logos", dat in een onbekende taal wordt
uitgesproken, weliswaar zonder betekenis is voor degenen die deze taal niet
verstaan, maar wel degelijk een betekenis heeft en daarom is er met betrekking
tot de talengave hier absoluut geen sprake van een onduidelijk of
onverstaanbaar gebrabbel of een wartaal. Maar Sh’aul gaf er wel de voorkeur aan
om in de gemeente [en ekklhsia en ekklēsia] de officiële
taal die iedereen verstaat, het Grieks, te spreken om zijn broeders en zusters
daar te kunnen onderwijzen [kathchsw kat-ēchēso].
20 Broeders, weest geen kinderen
in het verstand, maar in de boosheid; wordt in het verstand volwassen.
Aan de vermelding van het doel van de talengave in de verzen
21-22 gaat de bovenstaande vermaning om het kinderlijke af te leggen en
eindelijk geestelijk volwassen te worden vooraf. Maar waarom die vermaning?
Wel, dat blijkt wel uit de context van het hele hoofdstuk 14: de Korinthiërs
verstonden blijkbaar niet waarvoor de Eeuwige de gave om in vreemde talen te
spreken eigenlijk gaf en daardoor waren zij dus kinderen in het verstaan, want
zij gebruikten die gave namelijk niet als een teken voor ongelovigen, dus
buiten de gemeente, maar juist om in de gemeente te spreken. De verkeerde
toepassing van deze gave in de samenkomst geeft blijk van weinig verstand en
inzicht. Dat misverstand hoefde in principe geen boze opzet te zijn, maar wel
als zij met die gave trachtten te pronken, wat sommigen blijkbaar ook deden.
Zij beschouwden zichzelf weliswaar als verstandig en wijs, maar zoals zij met
de talengave omgingen gedroegen zij zich echt als kinderen, zonder op de
gevolgen te letten, want als zij hun verstand hadden gebruikt dan hadden ze
vanzelf moeten beseffen dat het hardop spreken in talen die niemand verstaat
zonder vertaling en uitleg nergens op slaat en niemand baat. En dan had Sha’ul het hier nog wel over de echte gave en niet
eens over dat occulte gebrabbel! Zoals ik reeds diverse keren heb benadrukt,
bedoelde hij namelijk steeds bestaande talen als hij het Griekse woord glwssa
glossa gebruikte en niet "tongen" in de zin van
ongearticuleerde en onsamenhangende onverstaanbare klanken en woorden, die min
of meer zouden overeenstemmen met de glossolalie van de heidenen. Maar iemand
die de echte talengave niet kan onderscheiden van een imitatie die afkomstig is
van andere geesten, is eveneens geestelijk nog niet volwassen. Een zeer jong,
onmondig kind van G’d kan er misschien door anderen toe geleid worden om te pas
en te onpas in "tongen" te willen spreken en er dus maar op los
brabbelen, maar een volwassene in het geloof zou zeker dit kinderlijke moeten
afleggen en de Schriften onderzoeken naar de werkelijke genadegave van het
spreken in talen. In elk geval is het ons nu wel duidelijk waarom Sha’ul in de verzen 14 en
15 heeft gezegd dat het verstand onvruchtbaar blijft als men in onbekende talen
zou bidden in de samenkomst. De aanwezige personen die deze talen niet kenden,
konden die niet verstaan zonder vertaling en werden dus niet opgebouwd. Dus
nogmaals, degenen die hun gaven beoefenen zonder dat anderen hierdoor worden
opgebouwd, doen het zonder nut en dus zonder verstand, op een domme manier en
zo zijn zij dus wat het verstand betreft kinderen. Daarom roept Sha’ul hen op om naar het
verstand volwassen te worden!
21 In de Tora [wet] staat
geschreven: Door lieden van een andere taal en door lippen van vreemden zal Ik
tot dit volk spreken, en toch zullen zij naar Mij niet luisteren, zegt de
Eeuwige. 22 Derhalve zijn de tongen [vreemde talen] een teken niet voor
hen, die geloven, maar voor de ongelovigen; de profetie echter is niet voor de
ongelovigen, maar voor hen, die geloven.
Het zogenoemde 'spreken in tongen'
is in de Bijbel dus weliswaar een groot wonder, maar het gaat daarbij
uitdrukkelijk om concrete, bestaande talen en juist dát bepaalt ook de diepere
betekenis van dit fenomeen. Toen Sha’ul uitgebreid inging op de talengave haalde hij een profetie
aan uit het boek vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] om daarmee aan te tonen dat het spreken in
vreemde talen een speciaal teken is voor het volk Israël. De Eeuwige sprak hier
door middel van niet-Hebreeuwse talen tot Israël. Deze passage vertelt ons het
Bijbelse doel van de talengave, namelijk: “De vreemde talen zijn tot een
teken niet voor hen, die geloven, maar voor de ongelovigen (en dan ook nog
eens voor de ongelovige Joden, zie ook 1 Kor 1:22!).” - Vers 21 van hoofdstuk
14, waar staat: “In de Tora staat geschreven”, is
een verwijzing naar ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 28:49 en vhyi>y Yeshayahu [Jesaja]
28:11-13. In deze teksten staat achtereenvolgens: “De Eeuwige zal tegen u
doen aanrukken een volk, dat van verre komt, van het einde der aarde, zoals een
arend aanzweeft: een volk, waarvan gij de taal niet verstaat” en: “Voorwaar,
door mensen die een onverstaanbare taal spreken, en in een vreemde tongval zal
tot dit volk spreken Hij, die tot hen gezegd heeft: Dit is de rust, geeft de
vermoeide rust, en dit is de verademing. Maar zij wilden niet horen. Zo zal
voor hen het woord van de Eeuwige zijn: wet op wet, wet op wet, eis op eis, eis
op eis, hier wat, daar wat, opdat zij bij hun gaan achterwaarts struikelen en
te pletter vallen, verstrikt en gevangen worden.” In de grondtekst luidt
een korte passage in vers 13 als volgt:
,> ryiz ,> ryiz vql vq vql vq vjl vj vjl vj
Tzav latzav, tzav latzav, qav
laqav, qav laqav, z’eir sham, z’eir sham
In verband met het onderwerp spreken in tongen doet deze passage inderdaad op het eerste gezicht denken aan een gebrabbel, maar toch is het gewoon Hebreeuws. De beide door Sha’ul genoemde citaten kondigen aan dat de Eeuwige heidenen tot de Israëlieten zal laten spreken door een andere taal. Toch zullen ze niet luisteren en om hun ongehoorzaamheid zullen zij achterover vallen, zich de nek breken en gevangen worden. Met andere woorden: het oordeel zal volgen! Vreemde talen zijn voor het volk Israël dus ook een verwijzing naar het feit dat Adonai gaat oordelen! Ziet u overigens dat het in de Bijbel genoemde “achterover vallen” niets te maken heeft met het zogenaamde “vallen in de Geest”, zoals men beweert binnen bepaalde charismatische kringen, maar veeleer met het komende oordeel van G’d, waardoor de ongehoorzamen getroffen worden! Een duidelijk voorbeeld hiervoor zien wij bij de oude priester Eli, die eveneens achterover viel, zijn nek brak en stierf, toen hij hoorde dat de Filistijnen ,yhlah ]vra Aron haElohim [de ark van G’d] veroverd hadden nadat hij zijn zonen in het Huis van Adonai liet zondigen (a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 4:18). Het is daarom eigenlijk typisch dat ze juist in die kringen waar de Tora het meest genegeerd wordt om de haverklap achterover vallen…
22 Derhalve zijn de tongen
[vreemde talen] een teken niet voor hen, die geloven, maar voor de ongelovigen;
de profetie echter is niet voor de ongelovigen, maar voor hen, die geloven.
Korinthe was in de tijd van Sha’ul een internationale
haven en derhalve dus een wereldstad, waar behalve Grieken en Romeinen o.a. ook
Egyptenaren, Syriërs en Joden woonden. Met name om deze reden wees Sha’ul de gelovigen in
Korinthe zo streng terecht vanwege het verkeerde gebruik van de talengave. In
plaats van bijvoorbeeld naar de haven van Korinthe te gaan om daar de zeelieden
uit alle delen van de wereld door gebruik van de gave van het spreken in
vreemde talen het evangelie te verkondigen, genoten de Korinthiers in hun eigen
samenkomsten van deze spectaculaire gave. Maar hier werden ze door niemand
verstaan. Eigenlijk hoefden ze slechts de deur uit te gaan om deze gave
doelmatig toe te passen. In Korinthe is de messiaanse gemeente namelijk
ontstaan uit de synagoge. In tvlipm
Mif’alot [Handelingen] 18:1-7 lezen wij dat er
een zware strijd is geweest tussen de orthodoxe Joden en de messiasbelijdende
Joden in de synagoge te Korinthe. Als gevolg daarvan is Sha’ul met deze groep uit
de synagoge gegaan en sindsdien kwam de nieuwe gemeente bijeen in het huis van
de bewaarder van de synagoge pal naast de sjoel. Omdat alle deuren open stonden
met dat warme Griekse weer en de messiaanse gelovigen evenals hun orthodoxe
buren uiteraard op Shabat hun samenkomsten hielden en niet op zondag, was deze
locatie uitermate geschikt om de talengave toe te passen. Zij zaten daar pal
naast de ongelovige Joden en kwamen hen buiten regelmatig tegen. Dan kon de
talengave in Korinthe inderdaad een teken zijn voor de ongelovigen. Ik wil hiervoor
nogmaals wijzen op hetgeen ik bij vers 2a schreef. Maar ook in dit geval heeft
men daar blijkbaar geen gebruik van gemaakt en daarom was Sha’ul niet erg gelukkig met het spreken in
vreemde talen zoals dat in Korinthe gebeurde.
23 Indien dan de gehele gemeente
bijeengekomen is en allen in tongen [vreemde talen] spreken, en er komen
toehoorders of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen, dat gij wartaal
spreekt? 24 Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of
toehoorder binnen, dan wordt hij door allen weerlegd, wordt hij door allen
doorgrond, 25 het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij zal
zich ter aarde werpen, G’d aanbidden en belijden, dat G’d inderdaad in uw
midden is.
Als Sha’ul zo benadrukte dat de talengave
als teken voor ongelovigen bedoeld is, waarom schreef hij dan dat willekeurige
toehoorders en ongelovigen die de samenkomst bezoeken zouden zeggen het wartaal
is als de gelovigen allemaal in vreemde talen spreken? Wel, ten eerste is het
sowieso al niet de bedoeling dat ze dat met zijn allen tegelijk doen (wat
helaas tegenwoordig maar al te vaak gebeurt), maar hooguit drie en dan nog maar
om de beurt, want anders lijkt het echt een geroezemoes als op een receptie.
Ten tweede zijn de vreemde weliswaar een teken voor ongelovigen, maar zij
kunnen niet als teken funktioneren als men in talen spreekt die de toehoorders
niet kennen. We hebben gezien, dat er op de Pinksterdag ook waren, bij wie het
teken niet werkte en dat zij spottend zeiden: “Zij zijn dronken!”, en
dat is dus dezelfde gedachte als: “Zij spreken wartaal!” Met andere
woorden: als de Eeuwige de talengave geeft als teken voor de ongelovigen, dan
gebruikt Hij daarvoor een taal waar de doelgroep iets aan heeft. Als dat niet
het geval is, dan doet men dit uit het vlees en wordt deze gave op een
verkeerde manier toegepast en deze twee verzen beklemtonen dus, dat vreemde
talen spreken, als niemand ze verstaat, zinloos is. Waarom b.v. Fries spreken
in een Griekse gemeente terwijl daar helemaal geen Friezen aanwezig zijn en
niemand die taal kent? Een willekeurige bezoeker van zo'n bijeenkomst zou
zeggen: hier wordt wartaal gesproken tenzij... de vreemde taal ook zou worden
vertaald. Alleen in dat geval kan er stichting en nut uitgaan van het 'spreken
in talen'. Sha’ul liet zich tamelijk denigrerend uit over het 'spreken in talen' in de
gemeente. Slechts in aanwezigheid van een vertolker achte hij het acceptabel en
betitelde degene die deze talen niet begreep als idiwthV idiōtes. Dit woord doet ons
onmiddellijk denken aan “idioot” en roept bij ons de gedachte op dat de persoon
in kwestie ze niet allemaal op een rijtje heeft. De NBG vertaalt dit Griekse
woord in de verzen 16 (idiwtou idiōtou), 23 (idiwtai idiōtai) en 24 (idiwthV idiōtes) met “toehoorders”, maar dat geeft helaas een
totaal vertekend beeld. De term idiwthV idiōtes verwijst namelijk naar
een persoon zonder onderwijs, die niet geleerd, gestudeerd heeft. Ik vind het
overigens wel opvallend, dat idiwthV idiōtes in Hnd. 4:13 en in 2 Kor 11:6 door de NBG opeens wel met
“ongeletterden” vertaald wordt, niet erg consequent dus! De Statenvertaling
daarentegen vertaalt dit woord ook in bovengenoemde teksten consequent met
“ongeletterden”. Waarom dan dit kleine nuanceverschil bij de NBG? Heel
eenvoudig: de vertalers van de NBG zijn blijkbaar voorstanders van het
zogenaamde “spreken in tongen” en hebben om deze reden ook glwssa
glōssa met “tong”
vertaald om daarmee te suggeren dat daar gebrabbel mee bedoeld zou zijn en geen
taal. Om dezelfde reden vertaalden zij volgens mij idiwthV
idiōtes heel algemeen met “toehoorders”
en niet specifiek met “ongeletterden”, want een geletterde bezoeker zou
gebrabbel dat men tegenwoordig hanteert als een wartaal beschouwen, maar een bestaande
taal als zodanig herkennen ook al zou hij er niets daarvan verstaan. Een
ongeletterde daarentegen zou ook een bestaande taal als wartaal bestempelen als
hij haar niet verstaat. Het neutrale “toehoorders” suggereert dus, dat
elke willekeurige bezoeker de glossolalie als wartaal zou bestempelen, maar
uitgaande van de juiste vertaling, namelijk “ongeletterden”, mogen wij
concluderen dat het hier dus normale talen talen betreft en geen occulte uiting
zoals het extatisch gebrabbel.
26 Hoe staat het dan, broeders?
Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets: een psalm of een lering of een
openbaring of een tong [vreemde taal] of een uitlegging; dat alles moet tot
stichting geschieden. 27 Indien er in tongen [vreemde talen] spreken,
laten het er twee, ten hoogste drie zijn, ieder op zijn beurt, en laat een
uitleg geven. 28 Is er echter geen uitlegger, dan moet men zwijgen in de
gemeente, maar tot zichzelf en tot G’d spreken.
Sha’ul zei dat degenen die in de samenkomst vreemde talen
spraken, tot zichzelf en tot G’d moesten spreken als er geen uitlegger was.
Maar hoe kon men tot zichzelf praten zonder de eigen woorden te begrijpen? Dat
betekent dus, dat degene die deze talen sprak wel degelijk verstond wat hij
zei! Maar wat voor nut zou het hebben tot zichzelf te spreken? De
charismatische uitleg van de laatste woorden in deze tekst is over het
algemeen, dat het “spreken in tongen” zonder uitleg een privé-gebedstaal is,
want Sha’ul
schreef immers dat men in dat geval tot zichzelf en tot G’d moest spreken. Wanneer
u dit tekstgedeelte op zich bekijkt, zou u dat inderdaad kunnen concluderen.
Maar in dit gedeelte zien we hoe belangrijk het is om bij het bijbellezen naar
de hele context te kijken. Leest u het hele hoofdstuk 14 nog maar eens heel
kritisch over. Ziet u nu hoe deze passage binnen de charismatische uitleg uit
zijn verband gehaald wordt? Dit tekstgedeelte zegt namelijk helemaal niets over
een privé-gebedstaal! Nee, Sha’ul laat ons hier slechts zien hoe nutteloos het is om te
spreken in een taal die niet bekend is voor de toehoorders. Daarom is deze
passage dan ook beslist geen aanbeveling om het zo te doen, maar is eerder
cynisch bedoeld. De woorden dat men bij gebrek aan vertolking maar beter tot
zichzelf en tot G’d kan spreken hebben dezelfde lading als de hedendaagse
gezegde dat men net zo goed tegen de muur kan praten. Maar dat vat je toch ook
niet letterlijk op? We hebben inmiddels opgemerkt dat de context over onderwijs
en opbouw gaat, maar hoe kan een onbekende taal de gemeente opbouwen? Dat kan niet,
en daarom spreekt zo iemand niet tot opbouw van de gemeente, want de enigste
die weet wat hij zegt is hijzelf en uiteraard ook G’d, maar voor de rest heeft
er niemand wat aan. Sha’ul stond de Korinthiers in hun samenkomsten het spreken in
talen weliswaar toe, maar alleen onder bepaalde voorwaarden: Ten eerste mochten
er slechts twee of hoogstens drie achter elkaar spreken, en ten tweede moest er
een uitlegger zijn. Als deze ontbrak, mocht er niet hardop in talen worden
gesproken. Heel duidelijk dus! Niet meer dan twee of drie per samenkomst, en op
een ordelijke wijze, dus na elkaar en niet tegelijk. Ten derde moest er een
vertolking worden gegeven en anders moest worden gezwegen. Ten vierde moest er
wat gezegd werd ook getoetst worden, want als spreken in talen vertolkt wordt
staat het immers gelijk aan profetie en alle profetie moet getoetst worden aan
de Bijbel. Ten vijfde (dat staat iets verop): er mochten slechts mannen
spreken! Vrouwen was het niet toegestaan te spreken in de samenkomst. Deze
passages laten heel duidelijk zien dat er grenzen waren aan het gebruik van de
talengave binnen de gemeente. Het gebruik van vervalste tongen leidt tot
christenen, die onder de macht van de boze staan. In vele charismatische
groepen worden deze genoemde beperkingen tegenwoordig geheel of gedeeltelijk
geschonden en daarmee gaan ze regelrecht tegen het Woord van G’d in! Meestal
staan er meer dan drie voor in de gemeente in een kring “in tongen” te spreken.
Of de hele gemeente doet dapper mee, en meestal wordt er helemaal niets
uitgelegd! Bovendien zijn het vaak de zusters die in de samenkomst het meest
“in tongen” spreken of zingen. De mensen willen gewoonweg niet luisteren, en
volgen hun eigen weg. Het resultaat is geestelijke verwarring. Men spreekt een
geestelijke wartaal, die zoals wij in de vorige afleveringen van deze
studiereeks hebben gezien ook binnen occulte kringen te vinden is. Het lijkt
mij nogal logisch dat niet de Heilige Geest, maar een andere geest mensen
dingen laat doen die G’d verboden heeft, want anders zou Hij Zichzelf
tegenspreken. Het kan niet zo zijn dat een hele gemeente tegelijk en dan ook
nog grotendeels de zusters, door elkaar heen in tongen bidt onder luichtruchtig
beamen en dan beweert dat de Heilige Geest dat alles zou bewerkstelligen. Neen!
Daar zijn andere geesten aan het werk, zeker als dit verschijnsel ook nog
gepaard gaat met “vallen in de geest”! Wees waakzaam! Als we ons openstellen
voor bovennatuurlijke machten die niet van G’d afkomstig zijn, dan zetten we de
deur van onze gemeente wagenwijd open voor de machten der duisternis: “Want
wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden,
tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze
geesten in de hemelse gewesten” (Efeziërs 6:12).
29 Wat de profeten betreft, twee
of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen. 30
Maar indien aan een ander, die daar gezeten is, een openbaring ten deel valt,
moet de eerste zwijgen. 31 Want gij kunt alleen een voor een profeteren,
opdat allen lering en allen opwekking erdoor ontvangen. 32 En de geesten
der profeten zijn aan de profeten onderworpen, 33 want G’d is geen G’d
van wanorde, maar van vrede.
Deze aanwijzingen lopen
grotendeels parallel met die voor het spreken in talen, want ook wat de
profeten betreft zei Sha’ul, dat er “twee of drie”
het woord mochten voeren en dat de anderen moesten onderzoeken en beoordelen
wat dezen gesproken hadden, dus vaststellen en onderscheiden wat daarin al of
niet g’ddelijke ingeving was. Maar ook de spreker zelf moest er van zeker
kunnen zijn dat de profetie van de Eeuwige afkomstig was en niet uit een andere
bron, maar daarvoor had hij wel zijn volle verstand nodig! Hij was dus geen
willoos medium zo als bijvoorbeeld de Pythia in Delphi, dat zich gedroeg alsof het buiten
zinnen was. Daarom voegde Sha’ul er dadelijk bij, dat de geesten der
profeten aan de profeten onderworpen zijn. Dat
wil dus zeggen, dat de geestelijke gaven, die zij bezitten, hen in het bezit
van hun eigen verstand laten en de mogelijkheid geven om hun eigen oordeel in
de toepassing van deze gaven te
gebruiken. G’ddelijke ingevingen zijn niet zoals de heidense orakels onregeerbaar,
chaotisch en extatisch, maar zij zijn nuchter en kalm, en doen iemand zich
redelijk gedragen. Bijbelse profetie verschilt dus wezenlijk van het heidense orakel, waarbij het medium
in een toestand van trance en extase verkeert en zichzelf niet meer onder
controle kan houden. De broeder, die daarentegen door Ruach haQodesh [de Heilige
Geest] geïnspireerd wordt, blijft echter volledig bij zinnen en neemt de regels
van natuurlijke orde en fatsoen in acht terwijl hij zijn openbaringen aan de kehille [gemeente]
meedeelt. Een g’ddelijke ingeving mag dus in geen geval verwarring in de
gemeente aanrichten en wanorde tot stand brengen. Daarom moet men gewoon op
zijn beurt wachten en niet tegelijkertijd profeteren, want wat voor een indruk
zouden oplettende gasten van onze G’d krijgen als de samenkomsten op
wanordelijke en rumoermakende wijze zouden plaats vinden? Zouden ongelovigen of
zoekenden dan niet denken: “Wat een zootje is dat hier”? Men zou de reputatie
van Adonai als
de G’d van vrede en orde daarmee ernstig beschadigen. Daarom moeten wij erop
toezien dat de erediensten zodanig bestuurd worden, dat er geen verkeerde of
oneerbare mening over G’d ontstaat in de harten van de gasten, want Adonai is beslist geen G’d
van wanorde maar van Shalom!
34 Zoals in alle gemeenten der
heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet
vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de Tora
[wet] zegt. 35 En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis
haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te
spreken in de gemeente.
Tenslotte geeft Sha’ul een instructie die
ook vandaag nog geldt, maar voor velen een heet hangijzer is. Ik heb over dit
onderwerp een aparte tweedelige bijbelstudie geschreven. Deze instructie luidt,
dat de vrouwen dienen te zwijgen in de gemeenten, want het is hun niet vergund
te spreken, maar onderworpen te zijn, zoals ook de Tora zegt. En dat geldt
zowel voor het spreken in vreemde talen alsook voor het profeteren, want dit
verbod volgt direct op de beperkingen die Sha’ul aan deze beide geestesgaven voor het gebruik in de samenkomst
oplegde aan de broeders (vanaf vers 26). Hoewel deze instructie
voor velen juist in deze tijd van emancipatie moeilijk te verteren is, staat er
toch nogal duidelijk, dat Sha’ul haShaliach, de apostel Paulus, die met g’ddelijk gezag bekleed was, elke actieve
betrokkenheid van vrouwen in enige vorm van onderwijs in de gemeente volstrekt
afwijst! De vrouw hoort in de gemeente te zwijgen. Hoe gemakkelijk zetten vele
kerken en gemeenten zich over dit verbod! Juist als het gaat om het zogenaamde "spreken
in tongen", spelen vrouwen vaak een dominerende rol. Dit feit alleen al
moet iedere serieuze gelovige tot nadenken stemmen.
36 Of is het woord G’ds bij u
begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?
De Griekse Korinthiërs hadden
blijkbaar niet alleen de oorspronkelijke bedoeling van deze geestesgaven uit
het oog verloren, maar ook bij wie het allemaal begonnen is. Het naleven van
G’ds geboden dat voor de Joodse gelovigen vanzelfsprekend is, was onder de
gelovigen van heidense afkomst helaas ver te zoeken. De gemeente te Korinthe is
weliswaar als een messiaanse sjoel begonnen, maar zij heeft zich door de grote toestroom van
Grieken en Romeinen, die zich onvoldoende hadden losgemaakt van hun heidense
achtergrond, al gauw ontwikkeld tot een charismatische christengemeente. Sha’ul benadrukte dat dit
niet de bedoeling was.
37 Indien iemand meent een
profeet of geestelijk mens te zijn, laat hij dan wel weten, dat hetgeen ik u
schrijf, een gebod van de Eeuwige is. 38 Maar als iemand hiermede niet
rekent, dan wordt met hem niet gerekend. 39 Zo dan, mijn broeders,
streeft ernaar te profeteren, en belemmert het spreken in tongen niet.
Het is duidelijk, dat Sha’ul het veelvuldig spreken in vreemde talen in de samenkomst aan banden trachtte te leggen en hij benadrukte dat de voorgaande keiharde uitspraken niet zijn eigen verzinsel waren, maar een gebod van de Allerhoogste! Om dit af te ronden sloot hij dit onderwerp af met de woorden: “Zo dan, mijn broeders (opnieuw nadrukkelijk “broeders”, hetgeen dus de zusters duidelijk uitsluit), streeft ernaar te profeteren, en belemmert het spreken in vreemde talen niet.” Ook hier maant Sha’ul om te streven naar de gaven die de gemeente konden stichten, en met name de profetie, maar hij moedigde het spreken in talen in de samenkomst niet echt aan. Hij schreef slechts dat men het spreken in talen niet moet belemmeren omdat hij daarmee wilde voorkomen, dat men als reactie op zijn eerdere betoog het toepassen van de talengave in zijn geheel zou verhinderen. Maar dat was natuurlijk nooit de bedoeling. Deze gave heeft wel degelijk een functie, mits op de juiste wijze toegepast.
40 Laat alles betamelijk en in
goede orde geschieden.
Zowel de Tora alsook B’rit haChadasha leren ons
dat men G’d moet liefhebben met geheel zijn verstand (,yrbd D’varim [Deuteronomium]
6:5 en vhyttm Matityahu [Matthéüs]
22:37), zijn intellectuele capaciteiten vernieuwen (Romeinen 12:2) en
ontwikkelen (Efeziërs 4:13, ,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 5:12 en 2 Petrus 3:16-18). Helaas nemen
tegenwoordig veel te weinig gelovigen de tijd om deze bijbelse opdracht uit te
voeren en hun intellectuele gaven en capaciteiten te ontwikkelen en zij
bestuderen nauwelijks de heilige geschriften, bijbelse commentaren, Joodse
cultuur, het Grieks, het Hebreeuws en de geschiedenis. "Mijn volk gaat
te gronde door het gebrek aan kennis", luidt het woord van Adonai! (i>vh Hoshea [Hosea] 4:6). Een gebrek aan kennis van G’ds Woord kan leiden tot
ernstige dwaalleren en daarom moeten wij dagelijks in onze stille tijd de
Eeuwige bidden om wijsheid en inzicht door Zijn Ruach
haQodesh.
Mocht Adonai in Zijn oneindige
goedheid en wijsheid u de talengave geschonken hebben, maak er dan gebruik van
op de wijze waarop zij bedoeld is, namelijk op het zendingsveld. Maar heeft u
deze gave niet ontvangen, strek u er dan ook niet naar uit. Zoek vooral niet de
glossolalie als persoonlijke gebedstaal om daarmee rechtstreeks tot G’d te
kunnen spreken zoals in sommige kerken geleerd wordt. U heeft er echt geen
speciale gave voor nodig om met uw hemelse Vader te kunnen praten, want de
toegang tot onze Abba is vrij voor ieder kind van G’d! Hij hoort naar ons ook in
onze eigen taal en weet precies wat wij bedoelen. David haMelech heeft ooit
geschreven in een psalm: “Adonai, Gij doorgrondt en kent mij; Gij kent mijn zitten en mijn
opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten; Gij onderzoekt mijn gaan en
mijn liggen, met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd. Want er is geen woord op
mijn tong, of, zie, Adonai, Gij kent het volkomen”
(,ylht
Tehilim [Psalmen] 139:1-4).
Werner Stauder
Voor
meer informatie over dit onderwerp wil ik u graag deze links aanbevelen:
http://www.mayimhayim.org/Hot%20Topic/The%20Gifting%20Of%20Toungues.htm
http://www.ahavta.org/tongues.htm
http://www.solcon.nl/apgeelhoed/htmldoc/toetstong.htm
http://www.solcon.nl/schriftgezag/wordbest/baslhg10.doc
http://www.solcon.nl/apgeelhoed/wordbest/toetsentongen.eigen.doc